Met een vouwmeter de natuur in om vegetaties te monitoren? (NB 12-17)

Vanuit de nood om vegetaties meer kwantitatief op te volgen, ontwikkelde het INBO een nieuwe methode gebaseerd op afstandsmetingen. Voor de soorten die groeien in de buurt van een voldoende aantal over het terrein verspreide puntlocaties, worden de horizontale afstand gemeten tussen de puntlocaties en het dichtstbijzijnde deel van de planten die groeien in de nabijheid ervan (bv. tot 1 m). De nieuwe methode biedt meer informatie dan bestaande monitoringstechnieken en kan mogelijk ook gebruikt worden om bijvoorbeeld remote-sensinggegevens te verifiëren. Ook laat de methode toe om sneller veranderingen in de abundantie op te pikken.

Met de nieuwe methode kunnen we voor elke soort zowel de bedekking (oppervlakte van het terrein die door de soort ingenomen wordt) als de kans op voorkomen in de buurt van een willekeurig gekozen locatie in het terrein schatten. Dit is belangrijk omdat een soort in termen van bedekking (gerelateerd met biomassa) verwaarloosbaar kan zijn, maar toch overal in het terrein opduiken, wat voor een beheerder vaak even betekenisvol is als een soort met een hoge bedekking.

In een soortenrijk grasland, een heidevegetatie of de kruidlaag van een bos, vertellen de verschillende plantensoorten en de verhoudingen waarin ze voorkomen veel over de toestand van van een terrein en evoluties ervan. Een snelle kwalitatieve inschatting volstaat meestal om te beslissen over het te voeren beheer. De nieuwe methode brengt echter soelaas wanneer meer informatieve en kwantitatieve gegevens nodig zijn en vergroot ook de kans om relatief kleine veranderingen in de vegetatie op te pikken. De reproduceerbaarheid van de metingen is hoog en de methode is weinig gevoelig voor vertekening door het zogenaamde ‘waarnemerseffect’ (en is dus objectiever).

Hans Van Calster

Meer weten? Lees het A1-artikel

Feedback