Van 14 tem 19 december 2017 verhuist INBO Brussel naar het Herman Teirlinckgebouw op de site Thurn & Taxis, Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel.

Struwelen en mantels

Vegetatiekundig is er geen onderscheid tussen mantels en struwelen. Beiden worden structureel bepaald door struiken, waarbij struweel een algemene term is die slaat op het dominante structuurtype ‘struik’ en mantel slaat op een struweel, dat zich manifesteert als een in de tijd voortschrijdende rand langs een zich ontwikkelend bos en waar zeer vaak sluierelementen (lianen, kruidige klimplanten, …) voorkomen. Een mantel is altijd een struweel, maar zeker niet elk struweel gedraagt zich als mantel.

In een beperkt aantal gevallen kan struweel beschouwd worden als climax, zo bvb. het type ‘struwelen met smalbladige wilgen langs snelstromende rivieren’). In andere gevallen is er een zekere vorm van beheer of verstoring nodig om de struwelen te behouden, dit is het geval bij mantels, hagen en op andere plaatsen waar zich bomen kunnen ontwikkelen in het struweel en die uiteindelijk tot bosvorming aanleiding zullen geven.

De natuurlijke verspreiding van struwelen is in vele gevallen te koppelen aan deze van de geassocieerde zomen en bossen. Het is dan ook een vrij recente ontwikkeling om struwelen als een zelfstandige vegetatiekundige eenheid te beschouwen. Sinds de jaren zestig worden de verschillende wilgenstruwelen niet meer beschouwd als een deel van elzenbroekbossen (Alnetea glutinosae) maar ondergebracht in twee zelfstandige klassen, de wilgenbroekstruwelen (Franguletea) en de wilgenvloedbossen en –struwelen (Salicetea purpurea). Omstreeks dezelfde tijd werd ook voor deeerste maal voorgesteld om een aantal doornstruwelen te groeperen in de Rhamno-Prunetea. De klasse omvat een deel van de braamstruwelen, de doornstruwelen met eenstijlige meidoorn en sleedoorn en de kalkrijke duinstruwelen met duindoorn en wilde liguster. De braamstruwelen van armere omstandigheden zijn pas zeer recent in een zelfstandige klasse ondergebracht, het Lonicera-Rubetea plicati. Voorheen werden ze afwisselend eens bij de kapvlakten, doornstruwelen of eikenbossen ingepast.

Volgende natuurtypen worden onderscheiden onder struwelen en mantels:

  1. Bremstruweel (RG Cytisus scoparius-[Calluno-Ulicetea/Nardetea])
  2. Braamstruwelen (Lonicero-Rubion sylvatici en Pruno-Rubion radulae)
  3. Doornstruwelen met eenstijlige meidoorn en sleedoorn (Carpino-Prunion)
  4. (Matig) kalkrijke duinstruwelen met duindoorn en wilde liguster (Berberidion)
  5. Gagelstruweel (RG Myrica gale-[Oxycocco-Sphagnetea])
  6. Wilgenstruwelen met breedbladige wilgen in laagdynamisch milieu (Salicion cinereae)
  7. Duingebonden vochtige tot natte wilgenstruwelen met grauwe wilg (Salicion cinereae)
  8. Struwelen met smalbladige wilgen langs snelstromende rivieren (Artemisio-Salicetum albae)
  9. Wilgenvloedstruwelen met bittere veldkers (Salicion albae, Cardamino amarae-Salicetum albae)
Feedback