Stadstuin

Landschapstuin | Tuinencomplex | Zorgtuin | Samentuin | Stadstuin

Rop Bosmans heeft een ingesloten stadstuin van 600m² in Gent. Zijn half-wilde tuin is een paradijs voor vogels, insecten en spinnen. Een netwerk van kleine, natuurlijke tuinen in de stad kan voor heel wat biodiversiteit zorgen.

“Een netwerk van kleine, goed beheerde tuinen kan in een stad heel wat biodiversiteit herbergen.”

Wat was je reden om je tuin om te toveren tot een biodiverse ruimte?

Ik ben “arachnoloog”; dat betekent dat ik gefascineerd ben door spinnen. Maar ook vogels en insecten boeien me. Een tuin creëren met een hoge biodiversiteit was dan ook mijn belangrijkste uitgangspunt. Toen ik dit huis kocht, nu 40 jaar geleden, was deze ingesloten stadstuin een gras- en netelvlakte van 600 m². Mijn oorspronkelijke gedachte was niet: ik ga hier alle natuurlijke processen laten ontwikkelen. Ik wilde gewoon veel soorten planten en een zo groot mogelijke variatie aan biotoopjes realiseren..

Hoe ben je tewerk gegaan?

Er stonden al een aantal fruitbomen, die heb ik allemaal laten staan. Zelf heb ik er nog een linde en een hazelaar bijgezet, en nog een hele resem planten. Vroeger ging ik daarvoor zelfs planten uitsteken, of bracht ik ze mee uit het buitenland.

Ik wil zelf genieten van mijn tuin. Toen de kinderen klein waren, was het hier ideaal om te spelen en in de bomen te klimmen. Toen liepen er ook nog kippen en konijnen vrij rond. Nu ontvang ik hier vrienden. En vaak zit ik hier gewoon te kijken met mijn verrekijker naar het mooie uitzicht. De voorbije dagen zaten er veel goudhaantjes, die zie je niet vaak in de stad. En ook een grote bonte specht komt wel eens langs. Een tuin is voor mij net dat evenwicht tussen eigen gebruik en toch ook de natuur mee laten profiteren.

Mijn tuin noem ik een “half-wilde stadstuin”. Wild, omdat de natuur op bepaalde plaatsen helemaal zijn gang kan gaan, half-wild omdat ik toch een eigen insteek heb om het te houden zoals ik het wil. Ik steek er bijvoorbeeld heel wat werk in om het grasveld open te houden. Woekeraars zoals een gele dovenetel hou ik in toom, zodat andere planten de kans krijgen om te groeien. Er staan ook veel planten in potten en die zijn niet allemaal van bij ons: het moet voor mij niet alleen wilde natuur zijn met inheemse planten. Ik gebruik geen chemische middelen en laat veel dode takken en stengels liggen. Pas na de winter ruim ik al het oude materiaal op en verwerk het in de tuin. Verder zorg ik voor veel ruimtelijke diversiteit: een stapel takken hier, een vijvertje en moerasje daar, een muur vol klimop en andere spontaan gekiemde muurplantjes, wat bomen, struiken, ruige hoekjes, enzovoort.

Die ecologische aanpak werpt zijn vruchten af: ik heb in de hele stad Gent, maar ook in mijn eigen tuin onderzoek gedaan naar de spinnenbiodiversiteit. Mijn tuin stond op plaats vijf van de ranglijst van meer dan tachtig onderzochte locaties: 40 spinnensoorten heb ik hier teruggevonden! En je moet weten dat spinnen heel belangrijk zijn voor het bedwingen van allerlei insectenplagen. Ze spelen dus een cruciale rol voor de mens, zeker in de weinig natuurlijke en dicht bevolkte context van de stad.

Je tuin ligt in een stedelijke context, stoot je weleens op moeilijkheden door je manier van werken?

Uiteraard zijn niet alle buren fan van mijn manier om de tuin te beheren. Ik heb een buur die weleens klaagt dat de knotwilg of de hazelaar zijn zon wegneemt, of dat mijn klimop over de muur groeit. Andere buren vinden dat dan weer geweldig.

Mijn tuin ligt in een afgesloten blok. Ondanks de kleine oppervlakte en het ingesloten karakter, kan je er wel een hoge biodiversiteit bereiken. Maar het is moeilijk om alle planten en dieren in evenwicht te krijgen. Daardoor heb ik bijvoorbeeld veel last van slakken, want egeltjes die de slakken opeten, zie je hier niet opduiken. In het begin gebruikte ik wel eens  slakkenkorrels, maar dat was hopeloos, ze namen niet in aantal af. Verder weet ik ook niet goed wat ik moet aanvangen met al die zwerfkatten, die buren hebben achtergelaten en overal in het gras hun behoefte doen.

Wat is volgens jou de waarde van een tuin voor de biodiversiteit in de stad en in Vlaanderen?

Tuinen zijn in de stad belangrijke groeneilanden. Ondanks hun belang, weten we er bijzonder weinig van. De biodiversiteit kan er hoger zijn dan je denkt. Zeker voor mobiele soorten zoals spinnen, die heel goed kunnen ‘vliegen’. Mijn tuin ligt in vogelvlucht relatief dicht bij het natuurgebied de Bourgoyen. Die nabijheid speelt zeker mee voor een aantal speciale soorten die ik hier aantref, zoals bijvoorbeeld de prachtige penseelkever. Maar ik ben ervan overtuigd dat je met enkele eenvoudige beheermaatregelen ook in veel andere stadstuintjes die diversiteit kan creëren. Het proces van toevallige verspreiding zal wel iets langer duren midden in de stad dan hier. Maar het belang van zulke kleine groene vlekjes voor de stedelijke biodiversiteit is heel groot, en vaak sterk onderschat.

Met het spinnenonderzoek in de Gentse binnenstad, hebben we bijna een kwart van alle Belgische spinnensoorten teruggevonden. Daarbij zaten zelfs heel wat soorten waarvan kenners veronderstelden dat ze in Vlaanderen zeldzaam waren, of zuidelijke soorten die in het warmere stedelijke gebied beter hun gading vinden dan op het platteland. Die kunnen dan vanuit de stad ook de buiten beginnen koloniseren.

Kleine populaties in groeneilandjes zijn kwetsbaar en kunnen tijdelijk verdwijnen. Maar als er genoeg geschikte groene vlekjes op korte afstand aanwezig zijn, wordt het gevaar op uitsterven heel wat kleiner. Zo kunnen naast parken, begroeide muren, braakliggende terreinen en kleine overhoekjes, ook tuinen een belangrijke rol spelen bij het behouden en stimuleren van de biodiversiteit, als onderdeel van een netwerk van stedelijk groen.

Heb je nog plannen voor de toekomst?

Ik wil nog een kruidentuintje maken, maar dan moet ik eerst het slakkenprobleem beter onder controle krijgen. Ik wil het groenafval nog beter verwerken binnen mijn tuin zelf. Ik denk eraan om mijn composthoop te vervangen door compostvaten. En verder ben ik best wel tevreden met de tuin zoals hij is.

Heb je nog tips voor de overheid of voor andere tuiniers?

  • Ga andermans tuin bezoeken. Om de biodiversiteit in tuinen te bevorderen, moet je vooral investeren in bewustwording: mensen weten niet beter, ze denken dat ze in hun tuin een kort gemaaid grasveld moeten hebben en cipressen of paplaurier. Natuurpunt organiseert jaarlijks een tuinenfietstocht in Gent. Dan kan je allerlei soorten privétuinen gaan bewonderen. Ik doe ook mee aan artistieke activiteiten in de wijk: mensen komen in mijn tuin kijken naar een theatervoorstelling of een optreden. Dat is nog een manier om hen kennis te laten maken met wat mogelijk is in een tuin. Soms zeg ik zelfs gewoon tegen mensen met wie ik een praatje maak op straat: kom eens kijken naar mijn tuin? Want ik ben er echt trots op. Aan de straatkant kan je je niet voorstellen dat er zo’n mooie stukjes groen achter die gevels verborgen liggen.
  • Beheer je tuin natuurgericht. Zorg voor een mozaïek aan structuren in je tuin: wat bomen, struiken, een vijvertje met natuurlijke oevers, bloemrijke perken, grasland, eventuele rotspartijen, enzovoort, zodat je een amalgaam van (micro-)habitats krijgt. Heel wat insecten en spinnen zullen daar maar wat graag gebruik van maken. Heel eenvoudig en effectief is ook wat ruige hoekjes laten staan.
  • Herwaardeer de kleine biotoopjes in de stad. Een netwerk van natuurlijk beheerde groene vlekjes in een stad kan stabiele populaties van heel wat soorten van o.a. insecten en spinnen herbergen. Die leveren een belangrijke bijdrage aan de stedelijke biodiversiteit, waar we allen wel bij varen. Dergelijke vlekken worden best op verschillende tijdstippen beheerd om soorten de kans te geven tijdelijk een ander onderkomen te zoeken.
  • Promoot begroeide muren. Geveltuintjes zijn doorgaans nogal klein, maar muurvegetaties van enkele meters breed kunnen een grote biodiversiteit herbergen. Een stad zou de aanleg en het behoud ervan moeten stimuleren.
     

Meer info:

 

Bijlage(n) 
Feedback