Van 14 tem 19 december 2017 verhuist INBO Brussel naar het Herman Teirlinckgebouw op de site Thurn & Taxis, Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel.

Slikken en schorren

Deze fysisch gedefinieerde biotoop (alle door getijden beïnvloede, niet permanent onder water staande, luwe en daardoor slikrijke milieus; daarmee zijn strandvegetaties in principe uitgesloten) omvat een breed spectrum aan natuurtypes bepaald door - qua structuur - zeer uiteenlopende vegetaties, binnen Vlaanderen gaande van onbegroeide slikken tot en met wilgenvloedbossen. De vegetaties van zoute en brakke milieus zijn meestal uniek voor slikken en schorren, hoewel een aantal binnendijkse zilte graslandtypes er zeer nauw bij aansluit. De natuurtypes van het zoetwatergetijdengebied vertonen echter vaak sterke overeenkomst of zijn vegetatiekundig niet te onderscheiden van bepaalde niet intergetijdengemeenschappen. Toch worden ze in deze typologie besproken.

Slikken kunnen omwille van het per definitie ontbreken van macrofyten niet besproken worden aan de hand van de vegetatie en worden daarom geclassificeerd op basis van waterchemische en fysische kenmerken en aan de hand van benthische organismen.

Slikken en schorren zijn waterrijke in Vlaanderen uiterst zeldzame biotopen met een internationaal belang. Samen nemen ze slechts 0,06 tot 0,08 % (830-1110 ha) van het Vlaamse oppervlak in (Natuurrapport 1999). Aan de Vlaamse kust vinden we zoutwaterslikken en -schorren momenteel enkel in het Zwin, aan de monding van de IJzer en in de Baai van Heist. Vroeger waren de oppervlakten slik en schor (en overgangsgebied met duinen) veel groter. Brakwaterslikken en –schorren zijn in Vlaanderen beperkt tot de buitendijkse gebieden langs de Zeeschelde stroomafwaarts Antwerpen. Stroomopwaarts van Antwerpen, zowel langs Zeeschelde, Rupel, Beneden-Nete en de estuariene delen van de Kleine Nete, Grote Nete, Dijle, Zenne en Durme, komen de in Vlaanderen enige zoetwatergetijdengebieden voor.

De bedreigende factor voor het voortbestaan van intertidale milieus was tot voor kort de inpoldering van voldoende hoog opgeslibde schorgebieden (vrijwel de volledige huidige Polderstreek). Recent is er meer en meer aandacht voor deze biotoop zowel langs de Zeeschelde als langs de Vlaamse kust. Op verschillende plaatsen worden intertidale gebieden in ere hersteld. Successie op schorren leidt vroeg of laat tot monotone, vaak monospecifieke vegetaties van Strandkweek (zoutwaterschorren), Riet (brakwaterschorren) of Wilg (zoetwaterschorren). Beheer is daarom een belangrijke factor in het behoud van structurele en biologische diversiteit. Vroeger was begrazing een belangrijke gebruiksvorm van zout- en brakwaterschorren; deze leidde indertijd tot kortgrazige kweldergrasvegetaties.

Zoutgehalte van het overstromingswater en de ermee geassocieerde milieufactoren (bvb. zoutgehalte van het bodemwater) is dé primaire ecologische determinant. Daarnaast is de overstromingfrequentie en -duur en de ermee geassocieerde milieufactoren (bvb. sedimentatie) de dominante milieufactor, die de differentiatie in verschillende (slik- en)schorvegetaties bewerkstelligt. Op hoger detailniveau spelen verderl de voedselrijkdom en de bodemtextuur (en geassocieerde kenmerken) een rol. Doordat schorvegetaties vaak gekenmerkt worden door dominantie van één of enkele soorten, komen in dit milieu vaak vrij scherpe vegetatiegrenzen voor.

In slikken en schorren worden veel zeldzame en bedreigde soorten aangetroffen, waaronder vaatplanten, loopkevers en sprinkhanen. Ook vinden we er een aantal Rode Lijst spinnensoorten terug.

Natuurtypen die onderscheiden worden onder 'Slik en schor' zijn:

  1. Zoutwaterslikken
  2. Brakwaterslikken
  3. Zoetwaterslikken
  4. Pioniersvegetaties van zeekraal (Thero-Salicornion)
  5. Pioniersvegetaties van Engels slijkgras (Spartinion)
  6. Zilte graslanden (Puccinellion maritimae)
  7. Graslanden van het zoet-zout contactmilieu (Armerion maritimae)
  8. Pioniersgemeenschappen van het zoet-zout contactmilieu (Saginion maritimae)
  9. (Ruige) Pioniergemeenschappen van het zoetwatergetijdengebied (Bidention tripartitae)
  10. Ruigtekruidengemeenschappen van het zoetwatergetijdengebied (Epilobion hirsuti)
  11. Biezenvegetaties van het zoetwatergetijdengebied (Phragmition australis p.p.)
  12. Getijde-rietlanden (Phragmition p.p.)
  13. Oevervegetaties langs zoetwatergetijdegeulen (Sparganio-Glycerion p.p.)
  14. Wilgenvloedbossen (Salicion albae p.p., met name Cardamino amarae-Salicetum albae)
Feedback