VMM en INBO presenteren Milieu- en Natuurverkenning 2030

11-12-2009
Brussel, Aalst
Overhandiging van het Natuurrapport 2009

Hoe zullen het milieu en de natuur in Vlaanderen de volgende decennia evolueren? Welke impact kan het beleid daarop hebben? De Milieuverkenning 2030 en de Natuurverkenning 2030 van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) beschrijven meerdere ontwikkelingen die zich in de toekomst onder bepaalde omstandigheden kunnen voordoen. Het zijn scenario’s, geen voorspellingen.

De Milieuverkenning 2030 beschrijft ontwikkelingen in de economische sectoren, en de gevolgen daarvan voor de milieudruk en de milieukwaliteit. De Natuurverkenning 2030 focust op de gevolgen van de milieukwaliteit en het landgebruik voor de natuur.

Beide rapporten werden vandaag overhandigd aan minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur Joke Schauvliege in het Vlaams Parlement.

Uit beide rapporten blijkt dat we voor grote uitdagingen staan: de snel veranderende toestand maakt verdere actie nodig, zodat we milieu en natuur alle kansen geven, ook na 2030.

MILIEUVERKENNING 2030

Sociaal-economische ontwikkelingen

De toestand van het leefmilieu wordt in grote mate bepaald door de sociaal-economische ontwikkelingen en het gevoerde (milieu)beleid. In Vlaanderen zal de bevolking tussen 2005 en 2030 met 12% aangroeien, tot 6,8 miljoen inwoners. De vergrijzing en de ontgroening nemen, net zoals de gezinsverdunning, verder toe. De prijzen voor aardolie, aardgas en steenkool zullen aanzienlijk stijgen. Tussen 2010 en 2030 wordt geschat dat het BBP jaarlijks gemiddeld met 2% zal groeien. Dit is iets minder dan de trendmatige groei van de laatste 25 jaar.

Energie

De bevolkingstoename, groeiende transportstromen en een aanhoudende groei van het BBP, doen de vraag naar energie toenemen. Bij een ongewijzigd beleid zou Vlaanderen in 2020 bijna 7% en in 2030 zelfs 13% meer energie gebruiken. Tegelijk zou de uitstoot van broeikasgassen met respectievelijk 12% en 31% toenemen.

Toch blijkt uit de toekomstverkenning van de VMM dat het mogelijk is de groeiende energievraag en de uitstoot van broeikasgassen met een derde terug te dringen tegen 2030. Een belangrijke kanttekening is dat bij de doorrekening van de verschillende scenario’s het kostenaspect en eventuele maatschappelijke barrières niet in kaart werden gebracht. Dit vereist vergaande maatregelen die mikken op rationeel energiegebruik in alle sectoren én een hoog ambitieniveau voor de inzet van hernieuwbare energiebronnen. Vooral windturbines op zee maar ook biomassa, windturbines op land en zonnepanelen hebben nog een groot groeipotentieel. Tegen 2030 kunnen ze in het meest maximalistische scenario instaan voor 2/3 van de stroomproductie. Samen met andere vormen van hernieuwbare energie (vb. groene warmte en biobrandstoffen) kunnen ze 26% van onze totale energienoden dekken.

Fossiele brandstoffen zullen evenwel de eerstkomende decennia nog een belangrijke rol blijven spelen.

Daarnaast zullen belangrijke investeringen in het elektriciteitsnet moeten gebeuren (decentralisatie van het net, de invoering van slimme tellers, de koppeling met windparken op zee,…) en zal de mogelijkheid moeten voorzien worden om energie op te slaan op momenten van overproductie. De kostprijs hiervan als bepalende factor is niet meegenomen in de studie.

De huishoudens en de sector handel en diensten hebben een groot potentieel om hun energiegebruik te verminderen. Dit kan met relatief eenvoudige ingrepen als isoleren, het plaatsen van hoogrendementsglas en efficiëntere verwarmingsinstallaties. Maar ook het verstrengen van de energieprestatienormen voor gebouwen is noodzakelijk om de energievraag te verminderen. Met een consequente en doorgedreven toepassing van deze maatregelen kan het energiegebruik van de huishoudens tegen 2030 halveren. Door de hoge levensduur van gebouwen werken maatregelen die we nu nemen vele jaren door.

Inzetten op energiebesparing en op eigen productie van hernieuwbare energie helpt niet alleen het milieu, het vermindert ook de afhankelijkheid van buitenlandse energiebronnen en beschermt onze economie beter tegen prijsschommelingen op internationale energiemarkten.

Verkeer

De verwachte sociaal-economische ontwikkelingen leiden ook tot een toename van het verkeer. Ondanks die groei is het mogelijk de uitstoot van broeikasgassen door het verkeer met een kwart te doen slinken tegen 2030. Voorwaarde is dat volop de kaart getrokken wordt van milieuvriendelijker voertuigen. Een eerste stap is de keuze voor kleinere en lichtere wagens.

De Europese doelstelling om tegen 2020 10% hernieuwbare energie te gebruiken in transport, kan gehaald worden door meer gebruik te maken van biobrandstoffen. Toch is dit op langere termijn niet de beste oplossing. Biomassa kan efficiënter gebruikt worden in andere sectoren. De toekomst ligt vooral bij groene stroom voor elektrisch aangedreven voertuigen en hybride wagens. En er moet nu al actie ondernomen worden om de hybride en elektrische wagens zo snel mogelijk tegen betaalbare prijzen op de markt te brengen. Daarvoor is nood aan een uitgebreid net van oplaadpunten. De batterijen moeten moeiteloos kunnen opgeladen worden – bij voorkeur met groene stroom - op de meest voordelige momenten voor het net en voor de gebruiker.

Daarnaast zou snel werk moeten gemaakt worden van stimulerende fiscale maatregelen om milieuvriendelijkere wagens aan te kopen. Ook mobiliteitsmaatregelen als rekeningrijden zijn nodig om de invloed van het verkeer te beperken.

Wonen

De bevolkingsgroei stuurt in sterke mate het toekomstig landgebruik in Vlaanderen. De stijgende vraag naar woningen en bedrijventerreinen zorgt voor een verdere uitbreiding van de versteende ruimte, met 17 % tegen 2030, wat neerkomt op bijna 7 ha/dag. Dit gaat hoofdzakelijk ten koste van het landbouwareaal.

De bebouwing neemt vooral toe langs grote wegen. Hierdoor verhoogt de blootstelling aan luchtverontreiniging en geluid van wegverkeer. De hinder kan beperkt worden door te kiezen voor een geluidsvriendelijk wegdek en door snelheidsbeperkingen. De opmaak en de uitvoering van de geluidsactieplannen in kader van de Europese Richtlijn Omgevingslawaai biedt hiertoe kansen.

Klimaatverandering in Vlaanderen

De grote toename aan versteende ruimte kan de effecten van de klimaatverandering vergroten. Nieuwe klimaatscenario’s voor Vlaanderen tot 2100 tonen unaniem een stijging van de temperatuur en van de neerslag tijdens de winter. De zomers worden droger en de rivierdebieten dalen, waardoor de kansen op ernstig watertekort toenemen. De regenbuien in de zomer worden wel feller, met een hogere kans op riooloverstromingen tot gevolg. Daarom zal in bebouwde kernen meer aandacht moeten gaan naar de opslag en infiltratie van hemelwater. Het beperkt de toevoer naar riolen en vult tegelijk het grondwater aan. Ook de dimensionering van de riolen zal moeten herbekeken worden.

Het is nog onzeker in welke richting het risico op economische schade door overstromingen van rivieren zal evolueren. Daarom moeten waterbeheerders in Vlaanderen bij het opvangen van de gevolgen van de klimaatverandering (adaptatie) zoeken naar ingrepen die vlot bij te sturen en onder verschillende omstandigheden nuttig zijn. Zowel om het overstromingsrisico te beperken, als om watertekorten te voorkomen en op te vangen. Hoe dan ook is de kans op schade in zeer belangrijke mate afhankelijk van de ruimtelijke ordening. Nieuwe woningen en infrastructuur in overstromingsgebieden moeten tegengegaan worden of aangepast gemaakt aan wateroverlast.

Luchtkwaliteit

De fijnstofconcentraties zullen dalen door de verwachte (vooral Europese) emissiereducties. Niet alle doelstellingen echter zullen gehaald worden. Dit kan misschien wel door bijkomende specifieke (lokale) maatregelen. Voorbeelden van zulke maatregelen zijn lage emissie zones in steden (waarbij wagens uit het stadscentrum geweerd worden), rekeningrijden, of maatregelen die zorgen voor lagere (diffuse) industriële stofemissies.

De ozonvervuiling daalt onvoldoende om de langetermijndoelstellingen voor de bescherming van de volksgezondheid te halen. Hiervoor zijn verdergaande emissiereducties van ozonvormende stoffen nodig, niet alleen op Vlaams of Europees niveau, maar ook op mondiale schaal. Klimaatverandering kan echter de positieve effecten van de verwachte emissiereducties van luchtverontreinigende stoffen op de ozon- en fijnstofvervuiling grotendeels of gedeeltelijk tenietdoen.

Waterkwaliteit

De kwaliteit van de Vlaamse rivieren kan nog sterk verbeteren door bestaande, geplande en nieuwe maatregelen uit te voeren. De verdere uitbreiding en de verbetering van de openbare waterzuivering speelt daarin een belangrijke rol. De verbetering van de waterkwaliteit zorgt voor heel wat positieve effecten op het biologische leven in de rivieren. Toch lijkt het niet haalbaar overal alle doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water tijdig te halen. Het ziet ernaar uit dat vooral fosfor op veel plaatsen een heikel punt zal blijven.

Vlaanderen in transitie

Door de impact en snelheid van de klimaatverandering, de eindigheid van de fossiele brandstofvoorraden en de onstabiele energieprijzen staat de maatschappij voor grote uitdagingen. Een ommezwaai is nodig en biedt tegelijk interessante investeringsperspectieven. Transities spelen zich meestal af over een termijn van meerdere generaties. Om tegen 2050 een duurzame koolstofarme economie te realiseren, moet de transitie nu ingezet worden. Hiervoor is aanvullend beleid nodig dat gericht is op structurele veranderingen op lange termijn. Zo’n transitieaanpak kan de doorbraken en de groene economie waar het Vlaamse Regeerakkoord, het pact 2020 en Vlaanderen in Actie op inzetten, mee helpen realiseren.

NATUURVERKENNING 2030

Scenario’s

In de Natuurverkenning 2030 van het INBO komen drie scenario’s aan bod. Er is eerst het referentiescenario, waarbij de evolutie bekeken wordt bij een niet veranderend beleid. Daarnaast zijn er het scheiden-scenario en het verweven-scenario. Bij “scheiden” worden functies zoals landbouw en natuur in grotere blokken gegroepeerd. Bij “verweven” worden die functies verspreid en vermengd.

Beide scenario’s kennen sterkten en zwakten. Voor planten en dieren van heide en moeras en voor de gevoelige bossoorten is ‘scheiden’ voordelig. Voor gevoelige soorten van grasland en akker, én voor de basisnatuurkwaliteit in de omgeving van alle inwoners, komt ‘verweven’ beter uit. Omdat de middelen beperkt zijn, is het niet mogelijk alle doelen gelijktijdig en tijdig te realiseren. Er moeten keuzes worden gemaakt en de modellen uit de Natuurverkenning kunnen hierbij helpen. Samenwerking met verenigingen of eventueel particulieren kan bij gelijk budget tot meer natuur leiden.

De open ruimte slibt verder dicht door de groei van de economie en de bevolking. Maar omdat de afname van de landbouw groter is dan de uitbreiding van de bebouwing en infrastructuur, komt er ruimte vrij. Het eindsaldo is daardoor positief voor natuur. Het Vlaamse Regeerakkoord wenst alle inwoners een basisnatuurkwaliteit in hun omgeving te bezorgen. De oppervlakte bos per inwoner in Vlaanderen neemt af. Dat komt doordat de bevolking sterker groeit dan de bosoppervlakte. Om de huidige oppervlakte bos per inwoner te behouden, dient de bosoppervlakte met 700 ha per jaar toe te nemen. De totale oppervlakte natuur, bos en overig groen breidt uit naar 214 000 tot 220 000 ha in 2015, en haalt bij geen enkel scenario de 237 000 ha die het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen tegen dan voorziet. Daartoe is vooral nog meer verdichting van de versteende ruimte noodzakelijk.

De voortzetting van het gebiedsgericht natuur- en bosbeleid leidt tegen 2030 tot een uitbreiding van de reservaten met 41 tot 76 % en van de multifunctioneel beheerde bossen met 3 tot 8 %. In het Vlaamse Regeerakkoord 2009-2014 was vooropgesteld om jaarlijkse 3.000 ha extra gebied met effectief natuurbeheer te realiseren. Daarvoor zal een extra inspanning nodig zijn.

Klimaatverandering

Door de klimaatverandering wordt Vlaanderen geleidelijk warmer en kunnen meer warmteminnende plant- en diersoorten zich vestigen. Tegelijkertijd verliest Vlaanderen soorten waarvoor het te warm wordt. In welke mate deze veranderingen aanleiding geven tot een bijkomend biodiversiteitsverlies, kan met de huidige kennis niet worden uitgemaakt.

De veranderingen in landgebruik en klimaat leiden tot meer kansen voor natuur in valleigebieden. Daar krijgt Vlaanderen de kans om de ambities van het Pact 2020 waar te maken en zich op het vlak van biodiversiteit te profileren ten opzichte van de Europese economische topregio’s.

Rivieren en vissen

Alle scenario’s betekenen een stap voorwaarts voor de waterkwaliteit, maar de doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water blijken zelfs tegen 2027 moeilijk realiseerbaar in het hele rivierennetwerk. Wanneer de huidige budgettaire inspanningen worden voortgezet, haalt Vlaanderen de geplande ontsnippering van 3 000 km prioritaire waterloop tegen 2066. Vissoorten die gevoelig zijn voor verontreiniging tonen pas een duurzaam herstel na het realiseren van de goede waterkwaliteit én de ontsnippering van heel hun leefgebied. De uitdaging is om de maatregelenprogramma’s in de waterkwaliteitsplannen en de ontsnipperingsplannen te herschikken om zo lokaal versneld de voorwaarden voor de soorten van Europees belang te realiseren. Op andere plaatsen kan het referentiescenario worden aangehouden.
De scenario’s ‘scheiden’ en ‘verweven’ focussen op Europees belangrijke natuur in functie van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Dit leidt tot meer aandacht voor bos en minder aandacht voor grasland. Vlaanderen dient voor Europa immers meer bij te dragen tot de instandhouding van boshabitat dan graslandhabitat. Om het verlies van biodiversiteit te stoppen, blijft ook aandacht nodig voor de natuur die niet van Europees belang is, zoals de natuur gebonden aan grasland en akker.

Zowel de Milieu- als de Natuurverkenning tonen aan dat we voor grote uitdagingen en kansen staan. Bepaalde reeds geleverde inspanningen dienen aangehouden te worden, op andere vlakken is een ommezwaai nodig. Als we ook na 2050 een leefbaar en duurzaam Vlaanderen willen, mag er niet getreuzeld worden.

Persinfo 
Mie Van den Kerchove, Woordvoerster VMM m.vandenkerchove@vmm.be, 0476/205.024 en Koen Van Muylem, Woordvoerder INBO koen.vanmuylem@inbo.be, 0473/814.928
Feedback