Landschapstuin

Landschapstuin | Tuinencomplex | Zorgtuin | Samentuin | Stadstuin

Frank Van de Meutter heeft een grote landschapstuin die hij beheert volgens de filosofie van het vroegere, kleinschalige cultuurlandschap. Zijn tuin grenst aan een natuurreservaat en is hier als het ware een uitbreiding van. Hij monitort al jaren de prachtige insectenrijkdom. Zijn tuin blijkt een grote biodiversiteit te herbergen.

“Ik probeer de filosofie van het diverse, kleinschalige cultuurlandschap dat ons platteland vroeger kenmerkte in onze tuin toe te passen.”

Wat was de aanleiding om je tuin om te toveren tot een biodiverse ruimte?

Ik werk op het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek en vertoef dus vaak in natuurgebieden. Mijn vrouw en ik hebben allebei onze jeugd doorgebracht in een huis met grote tuin. Dat we zelf ook zoiets wilden voor onze kinderen, stond vast. Zeven jaar geleden zijn we daarom verhuisd van een woonst met een klein stadstuintje naar het platteland. We hebben nu een tuin van ongeveer één hectare, aan de rand van een natuurgebied. De vorige eigenaar was een imker die in functie van zijn bijen een ongelofelijke variatie aan bomen en struiken heeft aangeplant. Ze bloeien van het voorjaar tot diep in de zomer. Er stonden ook nog een aantal oude eiken. Dat alles vormde een fantastisch uitgangspunt om onze tuin zo insectenvriendelijk en natuurlijk mogelijk in te richten. Dat de tuin grenst aan een natuurgebied voelen we zelf aan als een verantwoordelijkheid: we willen een zachte overgang creëren van natuur naar menselijke bewoning waardoor de natuur een beetje groter en beter beschermd is, maar tegelijkertijd profiteren we zelf van de natuur die dichter bij ons komt. Een win-win situatie dus, die je jammer genoeg maar weinig aantreft in Vlaanderen.

Dit was voor mij de aanleiding om eens te na te gaan wat voor leven je er allemaal in kan vinden. Toen onze tweeling geboren werd, spendeerden we noodgedwongen veel tijd thuis en in de tuin. Toen is de kiem gelegd voor een jarenlang onderzoek waarbij ik de insecten in mijn tuin nauwgezet onder de loep nam.

Hoe heb je de inrichting van je tuin aangepakt?

Ik had het grote geluk dat de grote lijnen voor een natuurlijke tuin al uitgezet waren. Verder probeer ik de filosofie van het diverse, kleinschalige cultuurlandschap dat ons platteland vroeger kenmerkte in onze tuin toe te passen. Overal zijn hagen en houtkanten van inheemse bomen en struiken. Daartussen liggen verschillend stukjes open gazon, maar deze gaan altijd geleidelijk over naar de bomen en struiken bijvoorbeeld door een strook bramenstruweel, of het witbloeiende fluitenkruid. Verder van het huis kan het wat wilder, en wordt maar een enkele keer per jaar gemaaid, of grazen enkele schapen en een pony. Zo’n diverse tuin vertoont veel overeenkomsten met wat we in de vakterminologie “mantelzoomvegetaties” noemen. De zachte overgang van een bos naar struiken en meer open terrein. Die rol kan een tuin vervullen. Mijn ervaring leert me dat net in die overgangen de insectenrijkdom zeer hoog kan zijn.

Door de natuur hier en daar wat ‘mild’ te verstoren bv. met grazen of maaien en zachte overgangen te creëren, krijg je veel verschillende habitattypes en stadia door elkaar. Dat bevordert de biodiversiteit. Die afwisseling spreekt bovendien mensen ook esthetisch heel erg aan. En een natuurlijk beheer is gebruiksvriendelijk: omdat ik niet bemest en sommige stukken hoger laat doorgroeien moet ik maar enkele keer per jaar het gras maaien.

Ik maak in mijn tuin gebruik van wat de omgeving biedt. Hier en daar heb ik wat gezaaid of geplant, maar altijd op plekken waar je de planten van nature kan verwachten en met materiaal uit de buurt. Er staan nog steeds een aantal niet-inheemse soorten uit de tijd van de imker, waaronder zelfs de weinig geliefde Japanse duizendknoop. Deze kwalijke exoot kan op eigen kracht niet buiten de tuin geraken en dus laat ik die staan. Zeker omdat ze laat in september bloeit en dan heel veel vliegen en bijen aantrekt, omdat in die periode erg weinig inheemse planten bloeien.

Het hoofddoel van een tuin blijft dat je er als gezin gebruik van moet kunnen maken. Daarom hebben we ook gewoon gazon met speeltuigen en een grote moestuin. Nu ze wat groter zijn zitten onze kinderen trouwens minstens even vaak in het wilde deel van de tuin: kampen bouwen, in bomen klimmen, gangen maken in het gras, tussen bramen of struiken, … Een gezonde afwisseling ja zelfs spannender dan de trampoline of de schommel!

Heb je al die plekken ook geïnventariseerd?

Voor mijn insectenproject heb ik me vooral geconcentreerd op het meest gebruikte deel van de tuin tegen het huis aan. Zeven jaar lang inventariseerde ik er, met wisselende intensiteit, de vliegende insecten. Ik gebruikte allerlei methoden: van vallen en sporenonderzoek tot gewone waarnemingen in natuurlijke omstandigheden. Toen ik het resultaat zag, moest ik toch even mijn ogen uitwrijven: van acht groepen insecten met uiteenlopende ecologische vereisten vond ik in mijn achtertuin niet minder dan 1254 soorten, ofwel 45% van de Vlaamse biodiversiteit Veruit de meeste van die soorten - wel bijna 1000 - zijn vlinders, vooral nachtvlinders. Zo een groot aantal soorten heeft natuurlijk veel te maken met de ligging (dicht bij natuurgebied) van onze tuin. Maar dat het natuurlijke beheer en de structuur een rol spelen, staat vast – zo vond ik van heel veel vlinders ook de rupsjes waaruit blijkt dat ze zich ook echt hier voortplanten.

Wat is volgens jou de waarde van een tuin voor de biodiversiteit in Vlaanderen?

Mijn tuinonderzoek toont aan dat heel veel diertjes gebruik maken van onze tuinen om er te leven, eten te zoeken of gewoon om te gebruiken als aangename plek om te verblijven op weg naar andere natuurgebieden. Mensen moeten beseffen dat er in een tuin zoveel leven kan zitten. En in die zin hebben tuinen een enorme educatieve rol te vervullen in een samenleving die vervreemdt van de natuur. Mensen hebben angst voor wat ze niet kennen; door het zien van alle leven in de tuin en te begrijpen wat al die diertjes en plantjes doen hoop ik dat mensen de natuur weer zullen omarmen.

De oppervlakte tuinen in Vlaanderen is aanzienlijk. Daardoor alleen al zijn ze van belang voor het ondersteunen van de biodiversiteit in verstedelijkt Vlaanderen. We moeten het hier jammer genoeg met dat soort van tussenliggende ruimtes doen, want veel grote natuurgebieden hebben we niet. Tuinen zullen wel niet als surrogaat voor natuurgebieden kunnen dienen: ze bevatten over het algemeen geen bedreigde biotopen of zeldzame soorten die weinig mobiel zijn. Maar een natuurvriendelijke tuin kan minstens bijdragen aan de basiskwaliteit van de Vlaamse biodiversiteit.

De verwevenheid van tuinen met het omliggende landschap is in dat verhaal belangrijk. In de buurt van natuurgebieden kunnen tuinen dienst doen als overgangszones die de negatieve invloeden van de omgeving helpen beperken. Zo verbeteren ze de biodiversiteit ook in het natuurgebied. Daarnaast kunnen ze zelf een soort halfnatuurlijke omgeving zijn waarin veel soorten voedsel vinden of verder kunnen. Voor sommige soorten kunnen tuinen ook een gidsfunctie vervullen tussen bestaande natuurgebieden. Mijn tuin zie ik als complementair aan het natuurgebied, hij versterkt de kwaliteit ervan.

De rol van tuinen in een stedelijk gebied zie ik heel anders dan op het platteland. In een stad denk ik dat je tuinen niet moet zien als een belangrijke manier om biodiversiteit te bewaren of te verbinden. De hoofdfunctie en context is gericht op de mens, en traditionele natuur heeft daarvoor moeten plaats maken. Tuinen hebben eerder een functie voor allerlei andere dingen die de mens aanbelangen: mensen het contact met natuur laten behouden, een aangename ruimte zijn, een ontmoetingsplaats, verkoeling brengen, lucht zuiveren, infiltratie toelaten, enzovoort. Maatschappelijk gezien minstens even belangrijk!

Heb je nog plannen voor de toekomst?

Wat ik nu nog wil proberen in onze tuin is de natuurlijke kringlopen beter te sluiten. We verwarmen ons huis grotendeels met gas, maar we hebben ook een houtkachel. Onze brede houtkanten kunnen we nog veel meer gebruiken om een groot deel van onze warmtebron in de winter recht uit de tuin te halen door een cyclisch hakhoutbeheer. Ik heb met mijn kinderen ook de leuke gewoonte om met een schopje en een kruiwagen de paardenstront en schapenkeutels uit de graasweide op te scheppen en op een grote berg in de moestuin te verzamelen. Dat gebruiken we dan om de groenten te bemesten. We willen zo veel mogelijk fruit en groenten zelf produceren. Maar ik moet nog veel leren om er meer uit te kunnen halen. Een weitje achteraan wordt niet begraasd tijdens de zomer en met het hooi dat we er winnen proberen we de winter door te komen zonder extra voeder aan te kopen. Zo moet de natuur elders niet opdraaien voor mijn wensen en blijft mijn tuin vrij voedselarm, met een grotere diversiteit als gevolg. Je moet daarbij voor jezelf en als gezin natuurlijk altijd de balans vinden tussen wat haalbaar en wenselijk is zodat iedereen volop van de tuin kan blijven genieten. We hebben natuurlijk wel de enorme luxe van over 1 ha tuin te beschikken, zodat er voor elk wat wils is.

Kan je nog tips geven voor de overheid of voor andere tuiniers?

Kleur buiten de lijntjes rond natuurgebieden. In je tuin doe je in Vlaanderen nog altijd zo goed als wat je wilt. Dat zal elke Vlaming zo willen houden, maar zeker aan de rand van een natuurgebied zou de overheid mensen kunnen helpen of stimuleren om de negatieve invloed op natuur te verminderen of zelfs om te buigen naar een winst voor de natuur. Daar kan het beleid mee aan de slag.

Bekijk je tuin als deel en ondersteuning van het landschap. Het idee van de mens als persoon die het landschap onderhoudt op een manier die ook nog interessant is voor de natuur, is door veranderende economie en landbouwpraktijk wat weggevallen in onze maatschappij. Meer nog, mensen weten niet meer hoe ze dat moeten doen. Terwijl het net heel eenvoudig is en dikwijls ook nog strookt met wat velen landschappelijk ‘mooi’ of aangenaam vinden. Een kleinschalig landschap met hagen, bomenrijen, vrijstaande oude bomen, veel bloemen, …

Voor mensen met een grote tuin: differentieer in je beheer. Vaak zie je dat mensen die een grote en diepe tuin hebben, het verste deel minder intensief gebruiken. Soms zien ze zo’n grote tuin zelfs als een last, waar veel tijd en werk in kruipt. Een voor de hand liggende oplossing is dat je dat deel van de tuin wat natuurlijker laat en minder frequent onderhoudt. Als je dat patroon kan doortrekken in een aantal tuinen naast elkaar, krijg je een oppervlakte halfnatuurlijke omgeving die voor de biodiversiteit in je omgeving echt wat kan betekenen. Organisaties als Natuurpunt proberen mensen daarop aan te spreken en hen te ondersteunen. Lokale besturen zouden daar ook werk van kunnen maken. Op plaatsen waar heel veel tuinen samenkomen zouden ze bv. mensen kunnen aanschrijven en met geïnteresseerden iets opstarten rond anders tuinieren. Of het natuurlijk beheer van tuinen in co-housingprojecten promoten.

Plant een boom. En zorg voor een netwerk van stedelijk groen. Uit een Britse studie over biodiversiteit in tuinen in stedelijk gebied kwam naar voren dat de biodiversiteit toeneemt van zodra je bomen hebt. Je voegt in feite een derde dimensie toe aan het groen in je tuin: bomen zijn als appartementsblokken voor biodiversiteit. Maar een van de meest doorslaggevende factoren voor een biodiverse stadstuin blijkt de nabijheid van stedelijk groen. Stadstuintjes zijn op zichzelf vaak te kleine eilandjes om een leefplaats te kunnen zijn voor veel planten en dieren, maar met parken of groene singels in de buurt wordt het toch wel wat. Stadsnatuur heeft bovendien een zeer belangrijke rol te vervullen voor het welzijn van zijn bewoners. Een stad moet goed beseffen dat zulke lokale ruimtelijke maatregelen heel belangrijke effecten hebben. En die kennis dan ook gebruiken om evenwichtige ruimtelijke patronen uit te tekenen, die niet enkel ecologisch steek houden, maar ook fair zijn voor de bewoners van de verschillende stadsdelen.

Meer info: https://www.natuurpunt.be/publicatie/natuurfocus-2015-4-hoeveel-soorten-...

 

Bijlage(n) 
Feedback