Over INBOKenniscentrumPublicatiesDienstverleningLinks
Spinnen: leefwijze en voorkomen in Vlaanderen
 
Home > Kenniscentrum > Fauna > Spinnen > Leefwijze en voorkomen
 

 

Leefwijze

Over de ganse wereld zijn er meer dan 50.000 soorten spinnen beschreven. Ze variëren in grootte van een millimeter tot een tiental centimeter. In de groep is er een enorme variatie aan vormen en manieren om voedsel (prooien) te bemachtigen. Alle spinnen produceren spinrag; dit gebeurt in klieren die uitmonden in de zogenaamde spintepels, die zich achteraan het lichaam bevinden. Met behulp van dit spinrag construeren de meeste spinnen webben waarmee ze hun prooien vangen, meestal vliegende of kruipende insekten.

Er zijn echter ook zeer veel spinnensoorten die geen vangwebben maken maar er een vrij levende jachtwijze op nahouden. Bij deze spinnen wordt het spinrag gebruikt om spinsels te maken, die dienst kunnen doen als schuilplaats waarin, naargelang de soort, de nacht of dag doorgebracht wordt of waarmee hoopjes eieren omhuld worden, de zogenaamde eicocons. Spinrag wordt eveneens gebruikt om door de vegetatie te bewegen en ook als een middel om door de lucht te zweven, een vorm van voortbeweging die ballonvaren genoemd wordt.

De levenscyclus van een spin kan als volgt samengevat worden. Eieren worden in hoopjes afgezet die in meer of mindere mate door spinsel beschermd worden. De juveniele dieren die uit de eicocon sluipen zijn gewoon kleine versies van hun ouders. Hun ontwikkeling gebeurt gradueel via een aantal vervellingen. De meeste spinnen in onze streken hebben een levenscyclus die ongeveer een jaar in beslag neemt; sommige kleinere soorten hebben twee tot drie generaties per jaar. Korte levenscycli worden bij bio-indicatie onderzoek als een voordeel beschouwd: snelle veranderingen in dichtheid zijn mogelijk als reactie op wijzigingen in het milieu.

Spinnen zijn allemaal predators. Ze voeden zich met allerhande groepen insekten en andere geleedpotigen. Een gevangen prooi wordt verlamd door gif dat binnengebracht wordt door een steek met de gifklauwen. Ze zijn echter niet in staat vaste voedseldeeltjes op te nemen. De vertering van het voedsel gebeurt uitwendig. Daartoe worden verteringssappen op en in de geïmmobiliseerde prooi afgescheiden. De verteerde weke delen worden opgezogen. Het uitwendige pantser blijft achter. Kannibalisme komt ook veel voor en dit vooral doordat jonge stadia opgegeten worden door oudere stadia. Op hun beurt vormen spinnen belangrijke prooidieren voor amfibieën, reptielen, vogels en kleine zoogdieren. Ze vormen dus een belangrijke schakel in het voedselweb. Dankzij het verschijnen van veldgidsen en goede rijkelijk geïllustreerde determinatiewerken raken spinnen meer en meer bekend bij het grote publiek.

Voorkomen in Vlaanderen

Gedurende de laatste decennia werd door de inspanning van vele, zowel professionele als amateur arachnologen, leden van de Belgische Arachnologische Vereniging, ARABEL VZW, een grote hoeveelheid gegevens ingezameld over de verspreiding en het voorkomen van spinnen in Vlaanderen en België. Dit leidde en leidt tot het uitgeven van verspreidingsatlassen, waarin ook de nodige aandacht besteed wordt aan de ecologie van de behandelde soorten. In België en Vlaanderen werden tot nu toe respectievelijk 700 en 600 soorten vastgesteld. Met uitzondering van de waterspin zijn alle spinnen terrestrisch; ze komen voor in alle denkbare terrestrische milieus. De meeste soorten die bij ons voorkomen zijn eerder klein (enkele mm); ze behoren tot de dwerg- en hangmatspinnen. De meeste van die kleine spinnensoorten leven op het grondoppervlak tussen lage vegetatie en strooisel. Ze voeden zich daar met springstaarten en andere kleine geleedpotigen. Veel soorten dwergspinnen maken geen web; andere maken kleine eenvoudige webjes in oneffenheden van het bodemoppervlak of tussen het strooisel. De hangmatspinnen bevestigen hun webjes op kruiden of tussen laaghangende takken in bossen. Andere soortenrijke families zijn de wielwebspinnen, de kogelspinnen, de springspinnen, de wolfspinnen en de krabspinnen. Voor Vlaanderen leidde dit verspreidingsonderzoek tot het opstellen van een Rode lijst. Daaruit blijkt dat van de 600 Vlaamse spinnensoorten voor het ogenblik slechts ongeveer de helft niet bedreigd is; de ander helft is zeldzaam of in min of meerder mate bedreigd.

Van de ca. 300 soorten spinnen, die in Vlaanderen bedreigd of zeldzaam zijn, is de relatieve verdeling van de het aantal bedreigde spinnensoorten weergegeven per habitattype: Bos, droger (B-d), Bos, moeras- (B-m), Bos, nat (B-n), Grasland, droog (G-d), Grasland, nat (G-n), Heide, droog (H-d), H-n (Heide, nat (H-n), Moeras (M), Oeverhabitatten (O), Zoutmoerassen (ZM), Waterplanten (W). Ook aangegeven is het relatief aandeel van de soorten die zeldzaam zijn doordat ze in Vlaanderen aan de noord-, zuid- of westgrens van hun verspreidingsgebied bereiken.

Recent werkten we mee aan een inventarisatie van een groot aantal bossen verspreid over Vlaanderen ter gelegenheid van een project gefinancierd door Bos en Groen en gecoördineerd door het INBO. De resultaten van dit onderzoek benadrukken andermaal het immense belang van de grote, maar ook van de vele kleinere boscomplexen van de leem- en zandleemstreek.

Dankzij de gestage uitbouw van een referentiekader omtrent hun voorkomen kunnen spinnen zinvol gebruikt worden bij faunistisch-ecologisch onderzoek ten behoeve van het natuurbehoud en -beheer in Vlaanderen. Ook blijken spinnen nuttig te zijn als bio-indicatoren voor de effecten van zware metalen en van fragmentatie op natuurlijke populaties.



Jean-Pierre Maelfait

 

 
Leefwijze en voorkomen
Beheersevaluatie
Indicatoren
 



Internationaal Jaar van de Biodiversiteit



  © 2010 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek - Disclaimer Home Contact Sitemap English Home Contact Sitemap Nederlands Vlaanderen Logo INBO