Over INBOKenniscentrumPublicatiesDienstverleningLinks
Heideblauwtje
(Plebeius argus)
 
Home > Kenniscentrum > Fauna > Insecten > Dagvlinders > Verspreiding > Heideblauwtje
 

 

Ecologie

Het Heideblauwtje is vooral te vinden op heideterreinen waar zowel vochtige als droge heide aanwezig zijn.
De vlinder vliegt meestal in ťťn generatie per jaar van eind juni tot eind augustus (met een piek tussen 10 juli en 10 augustus). In zeer warme jaren kan er een partiŽle tweede generatie vliegen van eind augustus tot midden oktober.
De wijfjes zetten de eitjes afzonderlijk af op of in de buurt van voornamelijk Gewone dophei, Stekelbrem en Struikhei die bij voorkeur op een kale bodem (warmer microklimaat) en in de buurt van mierennesten van Lasius niger staan. De eitjes worden meestal afgezet op een hoogte van 1-3 cm waar zich vaak jonge scheuten bevinden. De rupsen overwinteren volledig ontwikkeld in de eischaal. Na het uitkomen, gaat de rups actief op zoek naar een waardplant en kan dan tot zes dagen zonder voedsel blijven leven. De rupsen eten eerst de bloemen, knoppen en jonge scheuten van de waardplanten. De rupsen worden bezocht door mieren (Lasius niger en L. alienus) die afkomen op de zoete stof die de rupsen afscheiden met behulp van klieren. De verpopping vindt meestal plaats in de grond tot soms 7 cm diep. Ook de pop wordt bezocht door mieren en vaak bouwen mieren een nest rond de plaats waar de pop zich bevindt, eerder dan dat de rupsen in bestaande mierennesten verpoppen. Bij het uitsluipen worden de verse vlinders soms ook nog door mieren Ďbeschermdí. Het Heideblauwtje is gemiddeld een weinig mobiele soort, die zich soms niet verder dan enkele tientallen meters verwijdert van de plaats van ontpopping. De mannetjes verdedigen kleine territoria en inspecteren elke vlinder die het territorium binnendringt. De ideale vegetatiesamenstelling van een leefgebied voor het Heideblauwtje bestaat uit ongeveer 50% Gewone dophei, 25-30% Pijpenstrootje, 15-20% Struikhei en 5-10% kale grond.

Verspreiding

Het areaal van het Heideblauwtje strekt zich uit van Midden-ScandinaviŽ tot Zuid-Spanje en van West-Frankrijk en Groot-BrittanniŽ tot Japan.
Het Heideblauwtje was vroeger vrij algemeen, maar is momenteel zeldzaam. De grootte van het verspreidingsgebied is sinds het begin van de 20ste eeuw voortdurend afgenomen. Vroeger werd het Heideblauwtje voornamelijk op de heideterreinen in de Kempen waargenomen, maar ook elders in Vlaanderen (tot in de jaren zestig in de omgeving van Brussel, aan de kust in De Panne in 1901, Oostende in 1961 en 1962, en sporadisch op enkele heideterreintjes in Oost-Vlaanderen) kon de soort aangetroffen worden. Momenteel is de verspreiding van het Heideblauwtje volledig beperkt tot de Kempen.
In WalloniŽ heeft het Heideblauwtje een zeer lokale verspreiding in de Condroz en in de vallei van de Samber en de Maas en in de Fagne-Famenne-Calestienne en een lokale verspreiding in de Lorraine. In Nederland is het een vrij algemene standvlinder. In Duitsland is de soort vooral te vinden in de kalkstreken, maar komt zij ook voor op andere plaatsen verspreid over het land. In Groot-BrittanniŽ is de soort beperkt tot heidegebieden en kalkgraslanden in het zuiden van Engeland en enkele plaatsen in Wales.

Vroegere verspreiding (<1991)

Huidige verspreiding (>1991)

Behoud

Het Heideblauwtje geniet geen wettelijke bescherming. Op de Vlaamse en Belgische Rode Lijst staat de soort in de categorie Kwetsbaar, maar op Europese schaal is ze niet bedreigd.
De voornaamste oorzaken van de achteruitgang van het Heideblauwtje zijn het verdwijnen van heideterreinen door omzetting naar landbouwgebieden of naaldhoutaanplantingen en het vergrassen van de heide.
Natuurbeheer voor het Heideblauwtje moet zorgen voor verjonging van Gewone dophei en Struikhei door het terugdringen van de vergrassing en voor het hier en daar laten staan van Bremstruiken op de heide. De meest geschikte beheersvorm is extensieve begrazing, maar ook kleinschalig plaggen en gefaseerd maaien van heide kan gunstig zijn voor het Heideblauwtje. Het Heideblauwtje is een weinig mobiele soort (maximale afstand gemeten van 1 kilometer, maar er zijn vaak meerdere jaren nodig om een afstand van 1 of enkele kilometers te overbruggen). Door lokale herintroducties zou in sommige gebieden opnieuw een metapopulatiestructuur gecreŽerd kunnen worden. Onderzoek zal echter moeten uitmaken of dergelijke lokale herintroducties nodig zijn en, zo ja, waar ze uitgevoerd kunnen worden.

 

 
Aardbeivlinder
Adippevlinder
Argusvlinder
Atalanta
Bont dikkopje
Bont zandoogje
Boomblauwtje
Bosparelmoervlinder
Boswitje
Bretons spikkeldikkopje
Bruin blauwtje
Bruin dikkopje
Bruin zandoogje
Bruine eikenpage
Bruine vuurvlinder
Citroenvlinder
Dagpauwoog
Dambordje
Distelvlinder
Duinparelmoervlinder
Dwergblauwtje
Eikenpage
Geelsprietdikkopje
Gehakkelde aurelia
Gele luzernevlinder
Gentiaanblauwtje
Groentje
Groot dikkopje
Groot geaderd witje
Groot koolwitje
Grote ijsvogevlinder
Grote parelmoervlinder
Grote vos
Grote weerschijnvlinder
Heideblauwtje
Heivlinder
Hooibeestje
Icarusblauwtje
Iepenpage
Keizersmantel
Klaverblauwtje
Klein geaderd witje
Klein koolwitje
Kleine heivlinder
Kleine ijsvogelvlinder
Kleine parelmoervlinder
Kleine vos
Kleine vuurvlinder
Koevinkje
Kommavlinder
Koninginnepage
Landkaartje
Moerasparelmoervlinder
Oranje luzernevlinder
Oranje zandoogje
Oranjetipje
Pimpernelblauwtje
Rouwmantel
Sleedoornpage
Spiegeldikkopje
Vals heideblauwtje
Veenhooibeestje
Veldparelmoervlinder
Woudparelmoervlinder
Zilveren maan
Zilverstreephooibeestje
Zilvervlek
Zwartsprietdikkopje
 





  © 2014 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek - Disclaimer Home Contact Sitemap English Home Contact Sitemap Nederlands Vlaanderen Logo INBO