Over INBOKenniscentrumPublicatiesDienstverleningLinks
Bont zandoogje
(Pararge aegeria)
 
Home > Kenniscentrum > Fauna > Insecten > Dagvlinders > Verspreiding > Bont zandoogje
 

 

Ecologie

Het Bont zandoogje is vooral te vinden in open loof- en naaldbossen of aan bosranden, maar wordt ook waargenomen in tuinen in bosrijke omgevingen en tuinen met een bosaspect, in holle wegen en beschutte houtkanten. De vlinder vliegt meestal in twee generaties per jaar waarvan de eerste vliegt van midden april tot midden juni (met een piek tussen 20 april en 20 mei) en de tweede van eind juni tot begin oktober (met een piek tussen 10 juli en 20 augustus). In warme jaren kan een kleine derde generatie vliegen.
De wijfjes zetten de eitjes meestal afzonderlijk af op de onderkant van de bladeren van verschillende soorten grassen van het geslacht Zwenkgras, Kweekgras, Kropaar, Straatgras, Struisgras, Struisriet en Kortsteel. Wijfjes die op zoek zijn naar geschikte eiafzetplaatsen hebben een typische vlucht: ze slaan vrij snel met hun vleugels, maar vliegen nogal traag. Kleine, geÔsoleerde planten genieten duidelijk de voorkeur. De microhabitat waar de eitjes worden afgezet verandert met het seizoen: in het voorjaar en het najaar leggen de wijfjes vooral eitjes op zonbeschenen planten op open plaatsen terwijl ze in de zomer beschaduwde planten in het bos verkiezen. Het afzetten van de eitjes gebeurt meestal op het warmste moment van de dag (tussen 11u30 en 15 u) en de eitjes worden meestal afgezet op planten met een temperatuur tussen 24-30įC, omdat de overleving van de eitjes en de jonge rupsen daar het hoogst is. De sterfte onder de eitjes is vrij hoog en meestal zijn mieren, wantsen en kevers hiervoor verantwoordelijk; ongeveer 30% van de eitjes valt ten prooi aan parasitoÔden (sluipwespen van het genus Trichogramma). Jonge rupsen blijven in het begin meestal in de buurt van de plaats waar ze uit het eitje gekropen zijn en voeden zich daar ook. In latere stadia zwerven de rupsen verder weg. Er zijn twee typen rupsen: traag- en snelgroeiende rupsen en vooral de temperatuur en de hoeveelheid licht bepalen de groeisnelheid. Bij hogere temperaturen kunnen de snelgroeiende rupsen zich ontwikkelen in gemiddeld 25 dagen en de traaggroeiende rupsen in ongeveer 30 dagen. Bij lagere temperaturen zijn de verschillen groter. Bij een hoeveelheid licht (fotoperiode) van 12-16 uur kunnen de rupsen zich nog tot adult ontwikkelen, maar bij een lagere hoeveelheid licht ontwikkelen de rupsen zich tot poppen in diapauze. Tijdens een koele herfst blijven rupsen die na midden augustus uit het ei gekropen zijn, rups bij het begin van de winter. Bij hogere temperaturen in het najaar kunnen rupsen die uit het ei komen tot eind september zich nog voldoende snel ontwikkelen om tegen eind november te verpoppen. Naast de pop zijn ook de rupsen in het derde stadium in staat om succesvol te overwinteren. De verpopping gebeurt meestal aan de onderkant van een blad van de waardplant of onder een blad van een naburige plant op een hoogte van 5-20 cm. De poppen kunnen zowel bruin als groen zijn. De eerste generatie bevat vlinders die als pop of als rups overwinterd hebben, wat leidt tot twee overlappende pieken in de fenologie. De tweede generatie bevat nakomelingen van deze eerste generatie, maar hier is geen duidelijk verschil in het uitkomen door verschillen in ontwikkelingssnelheid. De eerste vlinders van de tweede generatie kunnen samen vliegen met de laatste van de eerste generatie, terwijl de laatste vlinders van de tweede generatie kunnen samenvliegen met de eerste van een partiŽle derde generatie. De vliegactiviteit is afhankelijk van zonneschijn en beide geslachten gebruiken zonbeschenen delen van de vegetatie om hun lichaamstemperatuur tussen 32-34,5įC te houden. Mannetjes verdedigen ofwel een territorium op een zonbeschenen plekje in het bos (perchers) of vliegen voortdurend rond op zoek naar wijfjes (patrollers). Het gedrag is afhankelijk van de temperatuur: bij lage temperatuur worden de zonneplekjes energiek verdedigd omdat ze de ideale plaatsen zijn voor het zonnen en het paren; bij hogere temperaturen vliegen meer mannetjes rond op zoek naar wijfjes. Mannetjes met een bleekbruine vleugelkleur zijn overwegend territoriaal, terwijl mannetjes met donkerbruine vleugels vaker patrouilleren. De warmtehuishouding bij deze gedragsstrategieŽn verschilt aanzienlijk waarbij de patrouilleerders met het vliegen doorheen beschaduwde plekken sneller afkoelen. Donkere mannetjes blijken dan weer sneller op te warmen tijdens het zonnen. Beide geslachten voeden zich voornamelijk met honingdauw, maar ook met nectar en boomsappen.

Verspreiding

Het areaal van het Bont zandoogje strekt zich uit van Midden-ScandinaviŽ tot Noord-Afrika en van West-Frankrijk en Groot-BrittanniŽ tot de Oeral en de Kaukasus.
Het Bont zandoogje was vroeger zeer algemeen en is dat momenteel nog steeds. De grootte van het verspreidingsgebied neemt geleidelijk toe in de loop van de 20ste eeuw. Ook vroeger al kon, net zoals vandaag, het Bont zandoogje in zowat heel Vlaanderen waargenomen worden.
In WalloniŽ, Nederland en Duitsland is het Bont zandoogje een algemene standvlinder, die in de laatste twee landen schaarser wordt naar het noorden toe. In Groot-BrittanniŽ is de soort algemeen in het zuiden van Engeland en in Wales, maar lokaal in Schotland.

Vroegere verspreiding (<1991)

Huidige verspreiding (>1991)

Behoud

Het Bont zandoogje geniet geen wettelijke bescherming. In Vlaanderen en BelgiŽ is de soort momenteel niet bedreigd en ook op Europese schaal is ze niet bedreigd.
Een geschikt natuurbeheer voor het Bont zandoogje moet open plekken of brede paden in bossen en een mantel- en zoomvegetatie aan de bosranden creŽren. Dit kan het beste gebeuren door kleinschalig bomen te kappen en door bospaden te verbreden. Aan de bosranden kan een gefaseerd maaibeheer toegepast worden om eitjes, rupsen of poppen niet samen met het maaisel te verwijderen en om in voldoende nectar te voorzien.

 

 
Aardbeivlinder
Adippevlinder
Argusvlinder
Atalanta
Bont dikkopje
Bont zandoogje
Boomblauwtje
Bosparelmoervlinder
Boswitje
Bretons spikkeldikkopje
Bruin blauwtje
Bruin dikkopje
Bruin zandoogje
Bruine eikenpage
Bruine vuurvlinder
Citroenvlinder
Dagpauwoog
Dambordje
Distelvlinder
Duinparelmoervlinder
Dwergblauwtje
Eikenpage
Geelsprietdikkopje
Gehakkelde aurelia
Gele luzernevlinder
Gentiaanblauwtje
Groentje
Groot dikkopje
Groot geaderd witje
Groot koolwitje
Grote ijsvogevlinder
Grote parelmoervlinder
Grote vos
Grote weerschijnvlinder
Heideblauwtje
Heivlinder
Hooibeestje
Icarusblauwtje
Iepenpage
Keizersmantel
Klaverblauwtje
Klein geaderd witje
Klein koolwitje
Kleine heivlinder
Kleine ijsvogelvlinder
Kleine parelmoervlinder
Kleine vos
Kleine vuurvlinder
Koevinkje
Kommavlinder
Koninginnepage
Landkaartje
Moerasparelmoervlinder
Oranje luzernevlinder
Oranje zandoogje
Oranjetipje
Pimpernelblauwtje
Rouwmantel
Sleedoornpage
Spiegeldikkopje
Vals heideblauwtje
Veenhooibeestje
Veldparelmoervlinder
Woudparelmoervlinder
Zilveren maan
Zilverstreephooibeestje
Zilvervlek
Zwartsprietdikkopje
 





  © 2014 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek - Disclaimer Home Contact Sitemap English Home Contact Sitemap Nederlands Vlaanderen Logo INBO