| |
Ecologie
De Rouwmantel is een typische bosvlinder en vertoont ook als zwerver een voorkeur voor bosrijke gebieden; vanwege zijn zwerflust kan de soort echter ook buiten bossen waargenomen worden. De vlinder vliegt in één generatie per jaar van begin juli tot begin juni van het volgende jaar. De wijfjes zetten de eitjes in groepjes af op twijgjes van verschillende soorten wilg (voornamelijk Boswilg) en Ruwe berk, maar ook op iepen, Ratel- en Zwarte populier. De voorkeursplanten voor de eiafzet staan meestal in de volle zon aan bosranden of op brede bospaden. De rupsen voeden zich gezamenlijk in een zelfgesponnen web. Vlak voor de verpopping zwermen de rupsen echter individueel uit over aanzienlijke afstanden. Het mannetje verdedigt in het voorjaar een territorium van op een open, zonnige plek in het bos. Dergelijke territoria zijn groter dan die van andere dagvlinders (tot 300 m²) en territoria van verscheidene mannetjes kunnen elkaar gedeeltelijk overlappen. De vlinder overwintert in natuurlijke, maar ook kunstmatige spleten en holten (huizen, kerken, schuren, houtstapels, spechtenholen). Vooral na invasiejaren bestaat de kans dat er lokaal voortplanting kan gebeuren, maar zelfs dan lijkt dit nog uitzonderlijk (in Nederland werd na het invasiejaar 1995 geen enkel rupsennest gevonden). Het zwerven gebeurt bijna altijd individueel en slechts zelden worden meerdere vlinders samen waargenomen.
Verspreiding
Het areaal van de Rouwmantel strekt zich uit van Noord-Scandinavië tot Midden-Spanje en van West-Frankrijk tot in Azië. De Rouwmantel was vroeger vrij zeldzaam, maar is momenteel vermoedelijk uitgestorven (al worden er nog wel elk jaar zwervers waargenomen). Vanwege het zwerfgedrag is het moeilijk om een beeld te geven van de grootte van het verspreidingsgebied van de Rouwmantel gedurende de 20ste eeuw. Vroeger had de Rouwmantel vrijwel zeker populaties in het Zoniënbos en in het Hallerbos, maar waarschijnlijk kon de soort zich ook in andere bosgebieden tijdelijk vestigen na jaren met een groot aantal zwervers (in 1945 en 1976 bijvoorbeeld). Momenteel worden er vermoedelijk enkel nog zwervers waargenomen, die vooral in 1995 vrij talrijk waren. Enkele van die zwervers hebben zich in de daaropvolgende jaren misschien kunnen voortplanten in Vlaanderen, maar zekerheid daarover bieden de verspreidingsgegevens niet. In Wallonië is de soort zeer lokaal in Condroz en in de vallei van de Samber en de Maas, Fagne-Famenne-Calestienne en Lorraine en vrij lokaal in de Ardennen. In Nederland is de soort uitgestorven en worden momenteel enkel nog zwervers waargenomen (met vooral grote aantallen in 1995). In Duitsland komt de soort vooral voor in het zuiden en het noordoosten, maar in het noordwesten slaan de meeste waarnemingen op zwervers. In Groot-Brittannië is de Rouwmantel een trekvlinder.
Behoud
De Rouwmantel geniet geen wettelijke bescherming in Vlaanderen. Op de Vlaamse Rode Lijst staat de soort in de categorie Uitgestorven. Op de Belgische Rode Lijst staat de soort in de categorie Bedreigd, maar op Europese schaal is ze niet bedreigd. De voornaamste oorzaken voor het uitsterven van de Rouwmantel zijn vermoedelijk het verdwijnen van grote boscomplexen en het veranderde bosbeheer waardoor open plekken geleidelijk dichtgroeien of volgeplant worden en mantel- en zoomvegetaties verdwijnen. Een geschikt natuurbeheer voor de Rouwmantel moet ervoor zorgen dat er open plekken in het bos behouden of gecreëerd worden en dat mantel- en zoomvegetaties zich opnieuw kunnen ontwikkelen. Dit kan best gebeuren door een gefaseerd maaibeheer aan de bosranden of op brede bospaden. Het laten liggen van dood hout in de bossen kan de Rouwmantel geschikte overwinteringsplaatsen bieden. Vanwege de grote mobiliteit van de Rouwmantel is herintroductie niet nodig. Opnieuw geschikt geworden bosgebieden kunnen door de soort op eigen kracht geherkoloniseerd worden.
|