| |
Ecologie
De Veldparelmoervlinder is een typische soort van droge, schrale en kruidenrijke graslanden. De vlinder vliegt in één generatie per jaar van begin mei tot midden juni (met een piek tussen 20 mei en 10 juni). De wijfjes zetten de eitjes in groepjes van 50-200 af op de onderkant van een blad van Smalle weegbree, die bij voorkeur in een korte vegetatie staat. Eitjes worden enkel afgezet op Smalle-weegbreeplanten die in een rozetvorm zeer laag tegen de bodem aanliggen omdat hieronder een voldoende warm microklimaat heerst voor de ontwikkeling van de eitjes. De rupsen leven aanvankelijk gezamenlijk in een zelfgesponnen nest op de waardplant. In het najaar spinnen ze een nieuw nest voor de overwintering in een iets hogere vegetatie op enige afstand van de waardplant. Na de overwintering gaan de rupsen door met eten en verkiezen dan de jonge uitkomende weegbreeplanten. Vóór de verpopping zijn de rupsen meer solitair en zonnen dan vrij veel op snel opwarmende oppervlakten (vegetatieloze delen van de biotoop, maar ook op verharde wegen). De verpopping zelf gebeurt in een gesponnen onderkomen in dichte vegetatie, waardoor poppen bijzonder moeilijk te vinden zijn. Veldparelmoervlinders zijn bijna alleen actief bij zonneschijn. Als nectarplanten worden in Vlaanderen vooral Magriet en Centaurie gebruikt. De soort is gemiddeld honkvast, maar af en toe worden zwervers op meerdere kilometers van gekende populaties waargenomen. Mannetjes verdedigen geen territorium, maar patrouilleren op zoek naar wijfjes. De Veldparelmoervlinder is, onder impuls van de Fin Ilkka Hanski en zijn medewerkers, een veelgebruikte soort in het onderzoek naar metapopulaties.
Verspreiding
Het areaal van de Veldparelmoervlinder strekt zich uit van Zuid-Scandinavië tot Noord-Afrika en van West-Frankrijk en Groot-Brittannië tot Mongolië. De Veldparelmoervlinder was vroeger vrij zeldzaam, maar is momenteel zeer zeldzaam. De grootte van het verspreidingsgebied van de Veldparelmoervlinder nam in de loop van de 20ste eeuw voortdurend af, met een bijzonder sterke terugval in het begin van de jaren tachtig. Vroeger werd de Veldparelmoervlinder vooral waargenomen in de Antwerpse en Limburgse Kempen, maar ook in de omgeving van het Zoniënbos en het Hallerbos in Vlaams-Brabant. Momenteel zijn er nog slechts enkele populaties gekend (Balen, Mol, Zutendaal en Meeuwen-Gruitrode). Rond deze vindplaatsen worden zwervende exemplaren gezien tot op een afstand van zo’n 10 kilometer. In Wallonië is de Veldparelmoervlinder een zeer lokale soort in de Lorraine. In Nederland is het een uiterst zeldzame standvlinder. In Duitsland komt de soort vooral voor in het zuiden en in het noordoosten. In Groot-Brittannië is de soort beperkt tot het eiland Wight in het uiterste zuiden van Engeland.
Vroegere verspreiding (<1991)

Huidige verspreiding (>1991)

Behoud
De Veldparelmoervlinder geniet geen wettelijke bescherming in Vlaanderen. Op de Vlaamse Rode Lijst staat de soort in de categorie Met uitsterven bedreigd. Op de Belgische Rode Lijst staat de soort in de categorie Bedreigd, maar op Europese schaal is ze niet bedreigd. De voornaamste redenen voor de achteruitgang van de Veldparelmoervlinder is de verruiging van schrale graslanden door intensivering van de landbouw en door gebrek aan beheer. Ook het beplanten van heischrale graslanden met naaldhout heeft waarschijnlijk bijgedragen tot de achteruitgang van deze soort. Emmet & Heath (1989) noemen ook de eigen vruchtbaarheid een mogelijke oorzaak van het verdwijnen op sommige vindplaatsen: door het bereiken van grote aantallen vlinders op een kleine oppervlakte zouden er onvoldoende waardplanten overblijven voor de gelegde eitjes en de daar uitsluipende rupsen. Bij het natuurbeheer moet ervoor gezorgd worden dat de vegetatie voldoende schraal blijft, maar ook dat er een voldoende groot nectaraanbod op de vliegplaatsen behouden blijft. De meest geschikte beheersmaatregel op de Vlaamse vindplaatsen is een gefaseerd maaibeheer, waarbij een deel van de vegetatie jaarlijks zeer kort gemaaid mag worden (hier groeien de beste Smalle-weegbreeplanten voor de eiafzet en zonnen de rupsen in het voorjaar) terwijl andere delen meerdere jaren ongemaaid mogen blijven (voor het maken van de winternesten). In de buurt van bestaande populaties zou een verschralingsbeheer toegepast kunnen worden op graslanden omdat uit de waarnemingen blijkt dat de Veldparelmoervlinder in staat is op eigen kracht geschikt geworden gebieden (tot op een afstand van zo’n 10 kilometer) te bereiken. Herintroductie lijkt voor deze soort dan ook niet prioritair.
|