| |
Ecologie
De Bosparelmoervlinder wordt in twee typen biotopen gevonden: open plekken in droge loofbossen, bosranden of paden enerzijds en droge, schrale vegetaties van heide in mozaïek met grasvegetaties anderzijds. De vlinder vliegt in één generatie per jaar van eind mei tot begin augustus (met een piek tussen 10 juni en 10 juli). In bosbiotopen zet het wijfje de eitjes af in de buurt van Hengel, maar de rupsen voeden zich ook met Gewoon vingerhoedskruid en in meer grazige biotopen voedt de rups zich met Smalle weegbree en Gewone ereprijs. De eitjes worden afgezet in groepjes van 80-150, zelden direct op de waardplant, maar meestal op het strooisel onder een blad van een naburige plant. Na het uitkomen spinnen de rupsen gezamenlijk een onopvallend web, waarin ze zich in groep voeden. In het tweede stadium beginnen ze zich te verspreiden en vormen kleinere groepjes. Vanaf het derde stadium voeden de meeste rupsen zich solitair. In dit stadium bouwen ze een hibernaculum om in te overwinteren door de randen van een dood blad samen te spinnen in het strooisel op of vlakbij de bodem. In het voorjaar besteden de rupsen een groot deel van hun tijd aan zonnen, meestal op dode bladeren of strooisel en voeden zich slechts sporadisch. Schimmels en predatie zijn waarschijnlijk de voornaamste sterftefactoren, in koude en vochtige voorjaren. Tijdens het popstadium kan de sterfte oplopen tot 50%, voornamelijk door predatie van kleine zoogdieren, kevers en parasitoïden. De adulte vlinders zijn meestal pas actief bij voldoende zonneschijn en een temperatuur die hoger ligt dan 17°C. De wijfjes paren maar één keer, vlak na het uit de pop sluipen, en zetten enkel eitjes af bij warm en zonnig weer. De vlinders zijn weinig mobiel (verplaatsingen zijn zelden groter dan 150 m in kleine populaties) en de meeste vlinders verlaten de plaats waar ze uit de pop gekomen zijn niet. Vlinders uit grote populaties leggen wel grotere afstanden af (tot maximaal 3 kilometer).
Verspreiding
Het areaal van de Bosparelmoervlinder strekt zich uit van Noord-Scandinavië tot Zuid-Spanje en van West-Frankrijk en Groot-Brittannië tot het Baikalmeer. De Bosparelmoervlinder was vroeger zeldzaam, maar is vermoedelijk sinds 1968 uitgestorven. Sinds het begin van de 20ste eeuw neemt de grootte van het verspreidingsgebied geleidelijk af en na de eerste helft van de jaren vijftig zijn er nog slechts twee waarnemingen in de tweede helft van de jaren zestig. Vroeger werd de Bosparelmoervlinder op enkele plaatsen in de provincies Antwerpen, Vlaams-Brabant en Limburg waargenomen. In Wallonië is de Bosparelmoervlinder zeer lokaal in de Condroz en in de vallei van de Samber en de Maas en vrij lokaal in de Fagne-Famenne-Calestienne en in de Ardennen. In Nederland is het een zeldzame standvlinder. In Duitsland komt de soort verspreid voor in het zuiden en in het noordoosten en minder in het laagland in het noordwesten. In Groot-Brittannië is de soort beperkt tot het uiterste zuidoosten en zuidwesten van Engeland.
Vroegere verspreiding (<1991)

Behoud
De Bosparelmoervlinder geniet geen wettelijke bescherming in Vlaanderen. Op de Vlaamse Rode Lijst staat de soort in de categorie Uitgestorven. Op de Belgische Rode Lijst staat de soort in de categorie Bedreigd, maar op Europese schaal is ze niet bedreigd. De voornaamste oorzaak van het uitsterven van de Bosparelmoervlinder is het veranderde bosbeheer (hakhoutcultuur) waardoor open plekken in bossen en mantel- en zoomvegetaties aan de bosranden verdwenen. Een geschikt natuurbeheer moet ervoor zorgen dat er steeds waardplanten op open bloemrijke plekken te vinden zijn voor de eiafzet. Dit kan best gebeuren door het regelmatig creëren van kapvlakten in loofbossen of door het verbreden en gefaseerd maaien van brede en zonnige bospaden waardoor Hengel altijd aanwezig is. Aangezien dergelijke kapvlakten slechts een vijftal jaar geschikt blijven moeten er zeer regelmatig nieuwe kapvlakten gecreëerd worden. Waar groeiplaatsen van Hengel sterk vergrast zijn, kan kleinschalig geplagd worden om de groei van Hengel te stimuleren. In heidebiotopen moet ervoor gezorgd worden dat de heide niet volledig dichtgroeit door regelmatig opschietende bomen te dunnen. Vanwege de geringe mobiliteit is spontane herkolonisatie bijzonder onwaarschijnlijk. Een bijkomend probleem is dat de biotoop van de gebieden waar de soort vroeger voorkwam in Vlaanderen onvoldoende gekend is. In de Kempen zijn nog bosgebieden aanwezig waar Hengel te vinden is en misschien kunnen hier opnieuw geschikte vliegplaatsen voor de Bosparelmoervlinder gecreëerd worden.
|