| |
Ecologie
De Moerasparelmoervlinder is te vinden in vochtige, schrale maar kruidenrijke graslanden (blauwgraslanden); elders in Europa treft men de soort ook op kalkgraslanden aan. De vlinder vliegt in één generatie per jaar van begin mei tot eind juni (met een piek tussen 20 mei en 10 juni). De wijfjes zetten groepjes van meerdere honderden eitjes af naast de middennerf van de onderkant van een blad van Blauwe knoop. Elk wijfje komt uit de pop met gemiddeld 380 rijpe eitjes, die kort na de paring afgezet worden. Als de weersomstandigheden gunstig zijn, kunnen de wijfjes in de daaropvolgende dagen nog eitjes ontwikkelen en afleggen in kleinere groepjes. Het afzetten van de eitjes gebeurt meestal tussen 10 u en 16 u. De wijfjes zoeken laag en traag vliegend naar grote, opvallende waardplanten, vaak op licht beschaduwde plaatsen. Van zodra het wijfje een geschikte plant gevonden heeft, zoekt het de grotere bladeren uit, meestal aan de basis van de plant. In het eerste stadium voeden de rupsen zich in een koker van samengesponnen bladeren. De eerste vraatsporen zijn bruine plekken op de bovenkant van de bladeren van de koker, waarvan de rupsen de onderste bladlaag opeten. In het tweede en derde stadium spinnen de rupsen een web over de waardplant, waarin ze zich gezamenlijk voeden. Als ze een plant kaalgevreten hebben, verhuizen ze naar een andere plant. Om te overwinteren, spinnen de rupsen een zijden cocon op de grond of laag in de vegetatie. In het voorjaar verlaten ze de zijden cocon om opnieuw te gaan eten en te zonnen. Aanvankelijk eten ze nog in kleine groepjes van 5-20, maar vlak vóór de verpopping worden ze volledig solitair. De pop is meestal vastgemaakt aan een stengel of een blad. Als de wijfjes uitkomen, worden ze vrij snel gevonden door rondvliegende mannetjes. Van zodra een wijfje gepaard heeft, kan het niet opnieuw paren omdat het mannetje een sponsachtige secretie afscheidt, die verhardt tot een ondoordringbare stop. Als de wijfjes al hun eitjes gelegd hebben, kunnen ze soms aanzienlijke afstanden afleggen en op plaatsen gezien worden die op meerdere kilometers van een bestaande populatie liggen. Doordat deze wijfjes geen eitjes meer dragen, zijn ze niet in staat op deze vluchten nieuwe gebieden te koloniseren.
Verspreiding
Het areaal van de Moerasparelmoervlinder strekt zich uit van Zuid-Scandinavië tot Noord-Afrika en van West-Frankrijk en Groot-Brittannië tot Mongolië. De Moerasparelmoervlinder was vroeger zeldzaam, maar is vermoedelijk sinds 1959 uitgestorven. Sinds 1950 is de grootte van het verspreidingsgebied sterk afgenomen en sterft de soort zeer snel uit. Vroeger werd de Moerasparelmoervlinder voornamelijk op vochtige graslanden in beekvalleien in de provincies Antwerpen (in de vallei van de Schijn), Vlaams-Brabant (in de omgeving van het Hallerbos en het Zoniënbos, in de valleien van de Zenne en de Dijle, in het Walenbos en in het Hageland) en Limburg (in Demervallei in de omgeving van Bilzen en in Zutendaal) waargenomen, maar ook in de Vlaamse Ardennen (1922) en in de Scheldevallei (1942) zijn er eenmalige waarnemingen. In Wallonië is de soort zeer lokaal in de Fagne-Famenne-Calestienne, de Ardennen en in de Lorraine. Ze is op enkele plaatsen geherintroduceerd. In Nederland is de Moerasparelmoervlinder uitgestorven sinds 1983. In Duitsland komt de soort zeer versnipperd voor vooral in het zuiden en het noordoosten. In Groot-Brittannië is de soort voornamelijk in het zuidwesten van Engeland en Wales, maar ook op enkele plaatsen in Schotland te vinden.
Vroegere verspreiding (<1991)

Behoud
De Moerasparelmoervlinder is beschermd in Vlaanderen door de Conventie van Bern. Op de Vlaamse Rode Lijst staat de soort in de categorie Uitgestorven. Op de Belgische Rode Lijst staat de soort in de categorie Bedreigd en op Europese schaal is de soort Kwetsbaar. De voornaamste oorzaken voor het verdwijnen van de Moerasparelmoervlinder zijn de vermesting en de verdroging (door het rechttrekken van beken in valleigebieden) van vochtige, schrale graslanden. Een geschikt natuurbeheer moet zorgen dat er voldoende vochtige, schrale graslanden gecreëerd worden. Vanwege de geringe mobiliteit is spontane herkolonisatie zo goed als uitgesloten. Alvorens aan herintroductie gedacht wordt, moet er onderzoek verricht worden naar de potentiële geschiktheid van enkele leefgebieden, maar vermoedelijk zijn er in Vlaanderen momenteel geen geschikte gebieden meer aanwezig.
|