Over INBOKenniscentrumPublicatiesDienstverleningLinks
Grote parelmoervlinder
(Argynnis aglaja)
 
Home > Kenniscentrum > Fauna > Insecten > Dagvlinders > Verspreiding > Grote parelmoervlinder
 

 

Ecologie

De Grote parelmoervlinder is een soort van voedselarme graslanden en heiden in de buurt van bossen. De vlinder vliegt in ťťn generatie per jaar van begin juni tot midden augustus (met een piek in de maand juli).
De wijfjes zetten de eitjes afzonderlijk af op strooisel in de buurt van verschillende soorten viooltjes waaronder Moerasviooltje, Hondsviooltje, Duinviooltje en Bleeksporig bosviooltje. De voorkeur gaat uit naar waardplanten die in een hoge dichtheid in een vrij lage vegetatie staan. Onmiddellijk na het uitkomen gaat de rups in overwintering om pas in het voorjaar op de ontluikende blaadjes van de waardplant te gaan eten. De rupsen eten voornamelijk Ďs nachts. Ze laten een typisch vraatspoor na: van de bijna volledig kaalgevreten waardplanten laten ze enkel de bladstengels staan. De overwintering gebeurt als rups. Voor de verpopping spint de rups, laag in de vegetatie tussen viooltjes, enkele bladeren samen. Mannetjes leggen vaak grote afstanden af op zoek naar maagdelijke wijfjes die zich laag in de vegetatie bevinden. De vlucht van het wijfje op zoek naar eiafzetplaatsen is typisch: tussen het zonnen door vliegt het op een wippende manier korte stukjes, het zet zich regelmatig neer tussen de vegetatie en als het een geschikte waardplant vindt, legt het wijfje onmiddellijk een eitje. Het is gemiddeld een honkvaste soort, waarvan individuen af en toe toch kunnen gaan zwerven en dan soms meerdere tientallen kilometers afleggen. Ook binnen een leefgebied kan de vlinder vrij grote afstanden afleggen tussen de nectarplanten en de eiafzetplaatsen.

Verspreiding

Het areaal van de Grote parelmoervlinder strekt zich uit van Noord-ScandinaviŽ tot Noord-Afrika en van West-Frankrijk en Groot-BrittanniŽ tot Japan.
De Grote parelmoervlinder was vroeger zeldzaam, maar is vermoedelijk sinds 1971 uitgestorven. Sinds het begin van de 20ste eeuw is de grootte van het verspreidingsgebied tot aan het uitsterven vrij constant gebleven; nadien werden enkel nog zwervers waargenomen. Vroeger had de Grote parelmoervlinder met zekerheid populaties aan de Westkust, in het ZoniŽnbos en het Meerdaalbos en in de Antwerpse Kempen; de overige waarnemingen betreffen vermoedelijk zwervers. Momenteel wordt de soort enkel nog als zwerver waargenomen (Blankenberge, Oostduinkerke, Deurne-bij-Diest en Koersel).
In WalloniŽ is de Grote parelmoervlinder zeer lokaal in de Condroz en in de Vallei van de Samber en de Maas en vrij lokaal in de Fagne-Famenne-Calestienne, de Ardennen en in de Lorraine. In Nederland is het een vrij zeldzame standvlinder (in de duinen van de Waddeneilanden en in de omgeving van de Hoge Veluwe). In Duitsland komt de soort vooral voor in het midden en het oosten van het land. In Groot-BrittanniŽ is de soort voornamelijk langsheen de kust te vinden, maar ook op de kalkgraslanden in het zuiden van Engeland.

Vroegere verspreiding (<1991)

Behoud

De Grote parelmoervlinder geniet geen wettelijke bescherming in Vlaanderen. Op de Vlaamse Rode Lijst staat de soort in de categorie Uitgestorven. Op de Belgische Rode Lijst staat de soort in de categorie Kwetsbaar, maar op Europese schaal is ze niet bedreigd.
De voornaamste redenen voor het uitsterven van de Grote parelmoervlinder zijn verdroging en verruiging van schrale graslanden door het veranderd landbouwgebruik (vermesting en achterwege blijven van traditioneel beheer). In de duinen heeft vooral het wegvallen van het begrazingsbeheer ervoor gezorgd dat de schrale duingraslanden te ruig geworden zijn waardoor de viooltjes verdwenen of niet meer geschikt waren voor de eiafzet.
Ondanks het feit dat de Grote parelmoervlinder uitgestorven is, worden er nog af en toe zwervende exemplaren van de soort waargenomen. Door in potentieel geschikte gebieden (vooral langsheen de kust en in de Kempen) een vlindervriendelijk beheer te voeren kan de Grote parelmoervlinder mogelijk spontaan deze streken herkoloniseren. In de eerste plaats is het belangrijk om potentieel geschikte leefgebieden voldoende vochtig en schraal te houden. De meest geschikte natuurbeheersmaatregel is extensieve begrazing, maar ook gefaseerd maaien (bij voorkeur in september wanneer de eitjes en rupsen zich laag in de vegetatie bevinden) kan goede resultaten opleveren. Er moet ook gezorgd worden voor een voldoende groot nectaraanbod in de vorm van ruigten, die zelfs op enige afstand van de schrale graslanden mogen liggen.

 

 
Aardbeivlinder
Adippevlinder
Argusvlinder
Atalanta
Bont dikkopje
Bont zandoogje
Boomblauwtje
Bosparelmoervlinder
Boswitje
Bretons spikkeldikkopje
Bruin blauwtje
Bruin dikkopje
Bruin zandoogje
Bruine eikenpage
Bruine vuurvlinder
Citroenvlinder
Dagpauwoog
Dambordje
Distelvlinder
Duinparelmoervlinder
Dwergblauwtje
Eikenpage
Geelsprietdikkopje
Gehakkelde aurelia
Gele luzernevlinder
Gentiaanblauwtje
Groentje
Groot dikkopje
Groot geaderd witje
Groot koolwitje
Grote ijsvogevlinder
Grote parelmoervlinder
Grote vos
Grote weerschijnvlinder
Heideblauwtje
Heivlinder
Hooibeestje
Icarusblauwtje
Iepenpage
Keizersmantel
Klaverblauwtje
Klein geaderd witje
Klein koolwitje
Kleine heivlinder
Kleine ijsvogelvlinder
Kleine parelmoervlinder
Kleine vos
Kleine vuurvlinder
Koevinkje
Kommavlinder
Koninginnepage
Landkaartje
Moerasparelmoervlinder
Oranje luzernevlinder
Oranje zandoogje
Oranjetipje
Pimpernelblauwtje
Rouwmantel
Sleedoornpage
Spiegeldikkopje
Vals heideblauwtje
Veenhooibeestje
Veldparelmoervlinder
Woudparelmoervlinder
Zilveren maan
Zilverstreephooibeestje
Zilvervlek
Zwartsprietdikkopje
 





  © 2014 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek - Disclaimer Home Contact Sitemap English Home Contact Sitemap Nederlands Vlaanderen Logo INBO