Over INBOKenniscentrumPublicatiesDienstverleningLinks
Grote weerschijnvlinder
(Apatura iris)
 
Home > Kenniscentrum > Fauna > Insecten > Dagvlinders > Verspreiding > Grote weerschijnvlinder
 

 

Ecologie

De Grote weerschijnvlinder is vooral gebonden aan open loofbossen en wilgenbroekbossen. De vlinder vliegt in ťťn generatie per jaar van eind juni tot begin augustus (met een piek tussen 1 en 20 juli).
De wijfjes zetten de eitjes af op de bovenkant van wilgenbladeren, voornamelijk Boswilg en Grauwe wilg in de bosrand op plaatsen die niet de hele dag in de zon staan. Het afzetten van de eitjes gebeurt meestal op zonnige dagen tussen 12 en 14 uur om beschaduwde bladeren uit te kiezen en aldus te verhinderen dat de rupsen zouden uitdrogen. Na het afzetten van een eitje vliegt het wijfje opnieuw naar een boomkruin om op te warmen en pendelt het voortdurend tussen de beschaduwde eiafzetplaats en een zonnige boomkruin. Als de rups uitkomt, kruipt ze naar de top van het wilgenblad en zet zich in een typische rusthouding (met de kop naar de bladstengel). Aanvankelijk voedt de rups zich met de randen van het blad waarop ze rust, maar later voedt ze zich met, en rust ze op, onaangevreten bladeren in de buurt van het eerste blad. Vlak voor de overwintering wordt de kleur van rups bruin en spint ze een zijden kussentje in de vork van een twijg of naast een bloem- of bladknop waarop ze de winter doorbrengt. Na de overwintering voeden de rupsen zich met de uitlopende wilgenknoppen. In de eerste rupsstadia verplaatsen de rupsen zich bijna niet en zijn dan bijna steeds te vinden op de tak waar ze uit het ei gekropen zijn, maar in de latere stadia worden ze meer en meer nomadisch op zoek naar een geschikte verpoppingsplaats. De rupsen worden weinig geparasiteerd en vallen enkel in de eerste stadia ten prooi aan oorwormen en wantsen. De basis van een bladstengel is de meest gekozen verpoppingsplaats. De pop zelf hangt aan de onderkant van het blad in de buurt van de bladstengel. De vlinders bezoeken zelden of nooit bloemen en voeden zich voornamelijk met honingdauw en mineralen uit modder, kadavers of uitwerpselen die ze op onverharde boswegen vinden. Ook het sap van bloedende bomen (vnl. eiken) trekt Grote weerschijnvlinders aan. Op de bospaden worden meestal mannetjes waargenomen, het talrijkst net voor de middag. Van zodra ze gegeten hebben, ondernemen de mannetjes Ďstijgvluchtení naar hoger gelegen punten in de omgeving. Vanaf de middag beginnen de mannetjes hun territoria te verdedigen, wat tot in de vooravond kan duren. Als favoriete verdedigingsplaats kiezen ze groepjes bladeren aan de buitenkant van een grote, opvallende boom (de soort is niet belangrijk, als hij maar opvallend is). Op sommige, zeer geschikte bomen, kunnen soms meerdere mannetjes hun territorium verdedigen. Wanneer een ongepaard wijfje het territorium van een mannetje binnenvliegt, zal het onmiddellijk onderzocht worden. Als het nog niet gepaard heeft, leidt het wijfje het mannetje weg naar een geschikte plaats hoog in een boomtop waar de paring plaatsvindt. De plaats van de paring kan soms op meerdere honderden meters verwijderd liggen van het territorium van het mannetje. Het is gemiddeld een honkvaste soort, die enkel langsheen bosranden en bospaden in staat is meerdere kilometers af te leggen.

Verspreiding

Het areaal van de Grote weerschijnvlinder strekt zich uit van Denemarken tot de PyreneeŽn en van West-Frankrijk en Groot-BrittanniŽ tot China.
De Grote weerschijnvlinder was vroeger zeldzaam, maar is momenteel zeer zeldzaam. Sinds het begin van de 20ste eeuw is de grootte van het verspreidingsgebied van de Grote weerschijnvlinder geleidelijk kleiner geworden; vanaf de jaren zestig is het aantal vindplaatsen echter vrij constant. Net als in het verleden wordt de Grote weerschijnvlinder voornamelijk waargenomen in de bossen rond Brussel en Leuven (Hallerbos, ZoniŽnbos, Meerdaalbos en Doode Bemde) en in het noordoosten van Limburg; vooral rond Brussel is het aantal vindplaatsen sterk achteruitgegaan. Ten opzichte van vroeger lijkt de soort zich vooral in Limburg uitgebreid te hebben, maar dat is enkel te wijten aan het feit dat de soort daar vroeger over het hoofd werd gezien. Buiten deze twee kerngebieden werden nog eenmalige waarnemingen gedaan in het Enamebos in 1945, waar zich misschien een populatie bevond en in Retie in 1971 waar het waarschijnlijk om een zwerver ging.
In WalloniŽ is de Grote weerschijnvlinder zeer lokaal ten noorden van de vallei van de Samber en de Maas, vrij lokaal in de Condroz en in de vallei van de Samber en de Maas, de Ardennen en in de Lorraine en vrij verspreid in de Fagne-Famenne-Calestienne. In Nederland is het een zeldzame standvlinder. In Duitsland komt de soort vooral voor in het midden en het zuiden en veel minder in het noorden. In Groot-BrittanniŽ is ze beperkt tot het zuiden van Engeland.

Vroegere verspreiding (<1991)

Huidige verspreiding (>1991)

Behoud

De Grote weerschijnvlinder geniet geen wettelijke bescherming in Vlaanderen. Op de Vlaamse Rode Lijst staat de soort in de categorie Bedreigd. Op de Belgische Rode Lijst staat de soort in de categorie Achteruitgaand, maar op Europese schaal is ze niet bedreigd.
De voornaamste reden voor de achteruitgang van de Grote weerschijnvlinder is het veranderde bosbeheer waardoor open plekken in bossen en mantel- en zoomvegetaties aan bosranden minder talrijk werden.
Een geschikt natuurbeheer moet open plekken en bredere bospaden creŽren in vochtige loofbossen en wilgenbroekbossen en zorgen dat er gevarieerde bosranden ontstaan. De aanwezigheid van een zogenaamde bruidsboom is eveneens van belang. Aangezien de Grote weerschijnvlinder nogal opvallende rupsen heeft, kunnen er best geen nestkasten geplaatst worden in gebieden waar deze vlinder te vinden is.

 

 
Aardbeivlinder
Adippevlinder
Argusvlinder
Atalanta
Bont dikkopje
Bont zandoogje
Boomblauwtje
Bosparelmoervlinder
Boswitje
Bretons spikkeldikkopje
Bruin blauwtje
Bruin dikkopje
Bruin zandoogje
Bruine eikenpage
Bruine vuurvlinder
Citroenvlinder
Dagpauwoog
Dambordje
Distelvlinder
Duinparelmoervlinder
Dwergblauwtje
Eikenpage
Geelsprietdikkopje
Gehakkelde aurelia
Gele luzernevlinder
Gentiaanblauwtje
Groentje
Groot dikkopje
Groot geaderd witje
Groot koolwitje
Grote ijsvogevlinder
Grote parelmoervlinder
Grote vos
Grote weerschijnvlinder
Heideblauwtje
Heivlinder
Hooibeestje
Icarusblauwtje
Iepenpage
Keizersmantel
Klaverblauwtje
Klein geaderd witje
Klein koolwitje
Kleine heivlinder
Kleine ijsvogelvlinder
Kleine parelmoervlinder
Kleine vos
Kleine vuurvlinder
Koevinkje
Kommavlinder
Koninginnepage
Landkaartje
Moerasparelmoervlinder
Oranje luzernevlinder
Oranje zandoogje
Oranjetipje
Pimpernelblauwtje
Rouwmantel
Sleedoornpage
Spiegeldikkopje
Vals heideblauwtje
Veenhooibeestje
Veldparelmoervlinder
Woudparelmoervlinder
Zilveren maan
Zilverstreephooibeestje
Zilvervlek
Zwartsprietdikkopje
 





  © 2014 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek - Disclaimer Home Contact Sitemap English Home Contact Sitemap Nederlands Vlaanderen Logo INBO