Over INBOKenniscentrumPublicatiesDienstverleningLinks
Oranjetipje
(Anthocharis cardamines)
 
Home > Kenniscentrum > Fauna > Insecten > Dagvlinders > Verspreiding > Oranjetipje
 

 

Ecologie

Het Oranjetipje leeft in vochtige gras- en hooilanden in de buurt van bossen, maar ook in beschutte tuinen waar één of meer van de waardplanten groeien. De vlinder vliegt in één generatie per jaar van begin april tot begin juni (met een piek tussen 20 april en 10 mei). Het is een vrij honkvaste soort.
De wijfjes zetten de eitjes afzonderlijk af op of net onder de basis van vrij grote bloemen van bloeiende planten van voornamelijk Look-zonder-look (in bosranden of langs bospaden) of Pinksterbloem (in vochtige hooilanden). Het grootste deel van de eitjes wordt gelegd op bloemen die jonger zijn dan acht dagen, omdat ze nadien te hard worden om te eten. Naast deze twee waardplanten worden ook sporadisch andere kruisbloemigen gebruikt en in tuinen worden ook eitjes afgezet op de Tuinjudaspenning. De waardplanten waarop eitjes afgezet worden, staan meestal in de volle zon in of vlakbij de bosrand of aan de rand van een breed bospad op plaatsen waar de luchtvochtigheid vrij hoog is. Als er groepen waardplanten dicht bij elkaar staan, worden de eitjes gelegd op de planten die aan de rand van een dergelijk groepje staan. Helemaal in het begin van de vliegtijd worden vooral eitjes afgezet op de al bloeiende Pinksterbloemen en pas later wordt ook Look-zonder-look belegd. Per plant legt het wijfje meestal maar één eitje (om competitie met andere rupsen te vermijden) en het wijfje besteedt dan ook veel tijd aan het uitzoeken van geschikte (bij voorkeur nog onbelegde) planten. Bij het afzetten van het eitje legt het wijfje ook een geurspoor (feromoon) op de plant waardoor volgende wijfjes minder geneigd zullen zijn een bijkomend eitje af te zetten. Het aantal afgezette eitjes is afhankelijk van het aantal bloemen en wanneer alle geschikte bloemhoofdjes belegd zijn, verlaat het wijfje vaak het leefgebied op zoek naar nog onbelegde waardplanten. Het eitje is aanvankelijk geelwit, maar verkleurt na een dag feloranje. Bij het uitsluipen eet de rups eerst de eigen eischaal op en vervolgens alle andere Oranjetipjes-eitjes op dezelfde bloem. De rupsen voeden zich voornamelijk met zaadknoppen, maar eten ook bloemknoppen, bloemen en bladeren. Rupsen van het Klein geaderd witje worden soms op dezelfde planten gevonden als die van het Oranjetipje, maar beide soorten zijn geen concurrenten van elkaar omdat ze andere delen van de plant eten. Rustende rupsen liggen op de zaadknop en zijn dan vrij goed gecamoufleerd. De jonge rupsen eten aanvankelijk van de bloemen van de waardplant, later van de vruchten. Parasitoïden van de rupsen zijn sluipwespen van het genus Trichogramma, de sluipwesp Apanteles saltator en de sluipvlieg Phryxe vulgaris. Op Pinksterbloem hebben de rupsen echter minder last van deze parasitoïden dan op andere kruisbloemigen. Als de rups volgroeid is, verlaat ze de waardplant en zoekt in de onmiddellijke omgeving een beschutte plek (vaak een ruige bosrand) op om te gaan verpoppen. Sommige poppen kunnen zelfs twee jaar na elkaar overwinteren. Mannetjes komen ongeveer een week vroeger dan de wijfjes uit en worden, door hun opvallende oranje vleugeltip, vaker gezien dan wijfjes, ook op plaatsen waar geen waardplanten staan. Wijfjes daarentegen worden bijna steeds in de onmiddellijke omgeving van de waardplanten gevonden, omdat ze slechts een beperkte tijd hebben voor het afzetten van de eitjes. De mannetjes zijn ‘patrollers’, die vrij veel tijd besteden aan het rondvliegen op zoek naar wijfjes en alle witte objecten inspecteren die ze tijdens deze vluchten tegenkomen.

Verspreiding

Het areaal van het Oranjetipje strekt zich uit van Noord-Scandinavië tot Zuid-Spanje en van West-Frankrijk en Groot-Brittannië tot China.
Het Oranjetipje was vroeger algemeen en is momenteel zelfs zeer algemeen. De grootte van het verspreidingsgebied van het Oranjetipje is vrij constant gebleven gedurende de 20ste eeuw. De huidige vindplaatsen komen grotendeels overeen met de vroegere, al zijn er vooral in Limburg (vermoedelijk door een betere inventarisatie) en in de duinen (waar het wellicht om een echte uitbreiding van het verspreidingsgebied gaat), meer waarnemingen dan vroeger. Ten oosten van de lijn Kanaal Gent-Terneuzen-Leie is het Oranjetipje duidelijk vrij verspreid, maar ten westen ervan is de soort minder algemeen. Ondanks het feit dat het Oranjetipje, net zoals vroeger, vandaag in min of meer dezelfde atlasblokken waargenomen kan worden, hebben we de indruk dat zowel het aantal populaties per atlasblok als het aantal exemplaren in de populaties achteruitgegaan is door het verdwijnen van heel wat vochtige graslanden.
In Wallonië, Nederland en Duitsland is het Oranjetipje een zeer ruim verspreide soort. In Groot-Brittannië is de soort algemeen in Engeland en Wales, maar zeldzamer in Schotland.

Vroegere verspreiding (<1991)

Huidige verspreiding (>1991)

Behoud

Het Oranjetipje geniet geen wettelijke bescherming. In Vlaanderen en België is de soort momenteel niet bedreigd en ook op Europese schaal is ze niet bedreigd.
De voornaamste knelpunten voor het Oranjetipje zijn verdroging en vermesting door de schaalvergroting van de landbouw waardoor de waardplanten uit de hooilanden en de bosranden verdwijnen. Indien bij het maaien de hooilanden jaarlijks tot aan de bosranden gemaaid worden, zal een groot deel van de overwinterende poppen samen met het maaisel verwijderd worden.
Een geschikt natuurbeheer voor het Oranjetipje moet ervoor zorgen dat Look-zonder-look en/of Pinksterbloem (die als nectar- en als waardplant gebruikt worden) op de vliegplaatsen behouden blijven. Dat kan gebeuren door extensieve begrazing of door gefaseerd maaien in het najaar (in het voorjaar en de zomer zitten zowel eitjes als rupsen op de planten). Bosranden worden best slechts gefaseerd gemaaid, omdat daar de poppen overwinteren op overblijvende stengels.

 

 
Aardbeivlinder
Adippevlinder
Argusvlinder
Atalanta
Bont dikkopje
Bont zandoogje
Boomblauwtje
Bosparelmoervlinder
Boswitje
Bretons spikkeldikkopje
Bruin blauwtje
Bruin dikkopje
Bruin zandoogje
Bruine eikenpage
Bruine vuurvlinder
Citroenvlinder
Dagpauwoog
Dambordje
Distelvlinder
Duinparelmoervlinder
Dwergblauwtje
Eikenpage
Geelsprietdikkopje
Gehakkelde aurelia
Gele luzernevlinder
Gentiaanblauwtje
Groentje
Groot dikkopje
Groot geaderd witje
Groot koolwitje
Grote ijsvogevlinder
Grote parelmoervlinder
Grote vos
Grote weerschijnvlinder
Heideblauwtje
Heivlinder
Hooibeestje
Icarusblauwtje
Iepenpage
Keizersmantel
Klaverblauwtje
Klein geaderd witje
Klein koolwitje
Kleine heivlinder
Kleine ijsvogelvlinder
Kleine parelmoervlinder
Kleine vos
Kleine vuurvlinder
Koevinkje
Kommavlinder
Koninginnepage
Landkaartje
Moerasparelmoervlinder
Oranje luzernevlinder
Oranje zandoogje
Oranjetipje
Pimpernelblauwtje
Rouwmantel
Sleedoornpage
Spiegeldikkopje
Vals heideblauwtje
Veenhooibeestje
Veldparelmoervlinder
Woudparelmoervlinder
Zilveren maan
Zilverstreephooibeestje
Zilvervlek
Zwartsprietdikkopje
 





  © 2014 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek - Disclaimer Home Contact Sitemap English Home Contact Sitemap Nederlands Vlaanderen Logo INBO