Over INBOKenniscentrumPublicatiesDienstverleningLinks
Kleine vos
(Aglais urticae)
 
Home > Kenniscentrum > Fauna > Insecten > Dagvlinders > Verspreiding > Kleine vos
 

 

Ecologie

De Kleine vos kan in allerlei biotopen waargenomen worden: ruigten, tuinen, bosranden, bermen... De vlinder vliegt in twee generaties per jaar waarvan de tweede partieel is: de eerste vliegt van eind juni tot begin augustus en de tweede van eind juli tot eind mei van het volgende jaar.
De wijfjes zetten de eitjes af in groepjes van 40-60 op de onderkant van een bijna eindstandig blad van jonge, frisgroene planten van Grote brandnetel. Kleine planten aan de zuidoostelijke rand van een groepje Grote brandnetels in een vrij open situatie of opnieuw opschietende planten na een maaibeurt zijn rijker aan voedingsstoffen en genieten duidelijk de voorkeur. In het voorjaar zoeken de wijfjes Ďs namiddags een groepje Grote brandnetels op waarop ze pas de volgende morgen eitjes zullen afzetten. Ze overnachten op de uitgekozen planten en de volgende morgen begint het wijfje met zonnen afgewisseld met korte vluchten. Van zodra de temperatuur voldoende hoog is (meestal vanaf 10 u), begint het wijfje met het afzetten van de eitjes. Per dag legt het ťťn groepje eitjes en als het verstoord wordt, vliegt het wijfje in een rechte lijn weg van de eiaflegplant en keert even later terug om het afzetten van het groepje eitjes te vervolledigen. Als de Grote brandnetel waarop het wijfje de eitjes aan het afzetten was experimenteel verwijderd wordt, keert het toch terug naar de plaats waar de Grote brandnetel stond, wat op een ruimtelijk geheugen wijst. Onmiddellijk na het uitkomen maken de rupsen een gezamenlijk onderkomen door enkele bladeren aan elkaar te spinnen. Als de plant waarop ze zich voeden kaalgevreten is, zoeken ze een andere plant op. ParasitoÔden hebben het vooral gemunt op solitaire rupsen die zich buiten het spinsel bevinden. In het laatste stadium worden de rupsen meer solitair en zijn ze gemakkelijker te vinden voor parasitoÔden. Om te verpoppen, verlaten de rupsen het groepje Grote brandnetels en kruipen meerdere meters weg in een min of meer rechte lijn. De poppen hangen meestal in de vegetatie tot op 1 meter hoogte. De vlinders die in de late zomer uit de pop komen (na midden augustus), overwinteren en paren pas na de overwintering. Vlinders die vroeg in de zomer uit de pop komen (vůůr augustus), zijn nog wel in staat zich voort te planten en brengen een kleine tweede generatie voort. De mannetjes en wijfjes lijken zeer sterk op elkaar, maar in het voorjaar kunnen ze onderscheiden worden op basis van hun gedrag: wanneer een klein voorwerp (een stokje, een steentje of een brokje aarde) over een mannetje heen gegooid wordt, vliegt hij ernaartoe, terwijl wijfjes er niet op reageren. Ďs Morgens besteden de volwassen vlinders vooral veel tijd aan het nectarzoeken, maar in de namiddag is er een verschil tussen het gedrag van mannetjes en wijfjes: mannetjes verdedigen dan meestal hun territoria, terwijl wijfjes op zoek gaan naar geschikte eiafzetplaatsen. Mannetjes beginnen territoria te verdedigen vanaf ongeveer 11 u en de meeste zijn bezet tegen 14 u. Als er gedurende langere tijd geen wijfjes in het territorium passeren, gaat het mannetje op zoek naar een nieuw territorium. De meeste territoria bevinden zich in de buurt van een groepje Grote brandnetels waar het mannetje van op de grond of van op lage vegetatie wijfjes opwacht. De mannetjes vliegen naar elk donker object dat het territorium binnendringt en verjagen andere mannetjes om nadien terug te keren naar hun territoria. Als een wijfje zijn territorium binnenvliegt, volgt het mannetje haar en doet niet onmiddellijk pogingen om met haar te paren. Het mannetje zet zich achter het wijfje en betast haar achtervleugels met zijn antennes. Als het wijfje zich verplaatst, volgt het mannetje haar naar de nieuwe plek. Als een ander mannetje een koppeltje verstoort, jaagt het al aanwezige mannetje de indringer over een aanzienlijke afstand weg (tot 100 m). Nadien vliegt het mannetje terug naar zijn wijfje, zet zich achter haar en begint opnieuw de achtervleugels van het wijfje met zijn antennes te betasten. Later op de avond zoekt het wijfje een plaats op om te overnachten (meestal op de grond onder het groepje Grote brandnetels), nog steeds gevolgd door het mannetje. Als het mannetje erin slaagt haar langere tijd te volgen, staat het wijfje een paring toe. De paring gebeurt meestal op de onderkant van een Grote brandnetelblad en duurt de hele nacht. In het najaar, wanneer de vlinders niet meer paren (reproductieve diapauze), besteden ze de hele dag aan zonnen, nectarzoeken en het zoeken naar een geschikte overwinteringsplaats. Van zodra ze die gevonden hebben, maken ze minder lange vluchten en gaan ze vooral voedsel zoeken in de buurt van deze plaats.

Verspreiding

Het areaal van de Kleine vos strekt zich uit van Noord-ScandinaviŽ tot Zuid-Spanje en van West-Frankrijk en Groot-BrittanniŽ tot China en Japan.
De Kleine vos was vroeger zeer algemeen en is dat momenteel nog steeds. Net als bij de Dagpauwoog, is de grootte van het verspreidingsgebied langzaam toegenomen. Sinds de tweede helft van de jaren zeventig blijft het echter vrij constant. Vroeger kon de Kleine vos zowat overal waargenomen worden en dat is nog steeds zo.
In WalloniŽ, Nederland, Duitsland en Groot-BrittanniŽ is de Kleine vos zeer algemeen.

Vroegere verspreiding (<1991)

Huidige verspreiding (>1991)

Behoud

De Kleine vos geniet geen wettelijke bescherming in Vlaanderen. In Vlaanderen en BelgiŽ is de soort momenteel niet bedreigd en ook op Europese schaal is ze niet bedreigd.
In het natuurbeheer zijn geen soortspecifieke maatregelen noodzakelijk, maar kan de soort wel baat hebben bij een algemeen vlindervriendelijk beheer.

 

 
Aardbeivlinder
Adippevlinder
Argusvlinder
Atalanta
Bont dikkopje
Bont zandoogje
Boomblauwtje
Bosparelmoervlinder
Boswitje
Bretons spikkeldikkopje
Bruin blauwtje
Bruin dikkopje
Bruin zandoogje
Bruine eikenpage
Bruine vuurvlinder
Citroenvlinder
Dagpauwoog
Dambordje
Distelvlinder
Duinparelmoervlinder
Dwergblauwtje
Eikenpage
Geelsprietdikkopje
Gehakkelde aurelia
Gele luzernevlinder
Gentiaanblauwtje
Groentje
Groot dikkopje
Groot geaderd witje
Groot koolwitje
Grote ijsvogevlinder
Grote parelmoervlinder
Grote vos
Grote weerschijnvlinder
Heideblauwtje
Heivlinder
Hooibeestje
Icarusblauwtje
Iepenpage
Keizersmantel
Klaverblauwtje
Klein geaderd witje
Klein koolwitje
Kleine heivlinder
Kleine ijsvogelvlinder
Kleine parelmoervlinder
Kleine vos
Kleine vuurvlinder
Koevinkje
Kommavlinder
Koninginnepage
Landkaartje
Moerasparelmoervlinder
Oranje luzernevlinder
Oranje zandoogje
Oranjetipje
Pimpernelblauwtje
Rouwmantel
Sleedoornpage
Spiegeldikkopje
Vals heideblauwtje
Veenhooibeestje
Veldparelmoervlinder
Woudparelmoervlinder
Zilveren maan
Zilverstreephooibeestje
Zilvervlek
Zwartsprietdikkopje
 





  © 2014 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek - Disclaimer Home Contact Sitemap English Home Contact Sitemap Nederlands Vlaanderen Logo INBO