Over INBOKenniscentrumPublicatiesDienstverleningLinks
Natuurontwikkeling langs de Zeeschelde
 
Home > Kenniscentrum > Beheer & ontwikkeling > Natuurontwikkeling > case studies > Zeeschelde
 

 

Ecologisch Herstel en Natuurontwikkeling langs de Zeeschelde

Op verschillende vlakken levert het INBO vanuit een ecologische invalshoek bijdragen aan het beheer en beleid dat met betrekking tot de Zeeschelde en haar zijrivieren wordt voorbereid. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met W&Z afdeling Zeeschelde. Specifieke onderzoeksopdrachten versterken de wetenschappelijke onderbouwing van deze bijdragen.

Er wordt gewerkt aan een visie voor een globaal ecologisch herstelplan met een maximale afstemming van de verschillende functies van het estuarium als inzet. In 1999 werd een verkennende studie gemaakt naar de mogelijkheden om ecologisch herstel van de Zeeschelde te koppelen aan maatregelen voor veiligheid en scheepvaart. Hierin werd een planningsproces voorgesteld om tot een concreet ecologisch herstelplan te komen. In verschillende onderzoeksopdrachten wordt gaandeweg bijgedragen aan de verschillende stappen in dit planningsproces zodat de voorgestelde visie meer vorm en onderbouwing krijgt. In opdracht van RIKZ (Zeeland-NL) werd een literatuurstudie naar ontpolderingen uitgevoerd om de kritische succesfactoren bij mogelijke projecten in het Schelde-estuarium te achterhalen. In het traject van de Langetermijnvisie voor het Schelde estuarium werd een literatuurstudie uitgevoerd naar estuariene herstelmaatregelen. De projectgroep PROSES werd opgericht om de situatieschets 2010 van de Langetermijnvisie voor het Schelde-estuarium op te stellen en te onderwerpen aan een maatschappelijke kosten-baten analyse. Eén van de peilers van deze situatieschets is een natuurontwikkelingsplan voor het hele Schelde-estuarium. Samen met RIKZ en LNV voerde het INBO hiervoor een voorstudie uit. Het natuurontwikkelingsplan zelf wordt uitgewerkt door RIKZ, INBO en UIA.

Op het terrein worden daadwerkelijk uitgevoerde of geplande herstelmaatregelen en ‘ecologisch gerichte’ bijsturingen van beheersmaatregelen in de Zeeschelde wetenschappelijk onderbouwd en geëvalueerd. Voorbeelden zijn de alternatieve dijkuitvoeringen en schorrandverdedigingen en de polder van Kruibeke-Bazel en Rupelmonde.

Langs de Zeeschelde zijn recent een aantal kleinschalige herstelprojecten van intergetijdengebieden gerealiseerd. Het Ketenisseschor, gelegen in de brakke overgangszone van de Zeeschelde, is een voormalig schor waarop baggerspecie van de Liefkenshoektunnel gedeponeerd werd. Als compensatie voor de bouw van de Noordzee containerterminal werd het gebied in 2002 terug afgegraven tot hoog slikniveau om een goede uitgangssituatie voor schorvorming te creëren.

Het Paardenschor, in de brakke zone, werd opgehoogd bij de bouw van de kerncentrale van Doel. In het kader van het Sigmaplan werd het gebied  in 2004 ingedijkt met een dijk op 11 mTAW. Als compensatie voor de bouw van het Deurganckdok werd de Sigmadijk herlegd en werd het gebied afgegraven tot op hoog slikniveau. Door het voorliggende schor te sparen is er slechts over beperkte lengte direct contact met de Zeeschelde en heeft het gebied meer weg van een ontpoldering door dijkdoorbraak (breaching).

Het project Paddebeek werd in 2003 gerealiseerd toen de dijk tussen Paddebeek en de brug van Schoonaarde op Sigmahoogte werd gebracht. De dijk werd hierbij over een deel van de lengte landinwaarts verlegd om een slik/schor gebied met terrassen te realiseren in een deel van de zoete zone van het estuarium waar slikken en schorren zeer schaars zijn.

Ter hoogte van de Heusdenbrug, langs de tij-arm in Gent werd in 2006 de dijk landwaarts verlegd zodat een ontpoldering van ca. 10ha ontstond. De voorliggende dijk werd afgegraven.

De ontwikkelingen in deze herstelprojecten worden gemonitord in samenwerking met Waterwegen en Zeekanaal NV (W&Z) Afdeling Zeeschelde.  

Sedimentatie- en erosieprocessen, de vorming van geulen, de vestiging van bodemdieren en vegetatie en het gebruik van het gebied door watervogels en broedvogels worden opgevolgd op een gestandaardiseerde manier. De staalnamepunten zijn gesitueerd langs raaien welke dwars staan op de dijk en verdeeld worden over de hele projectsite.   Op lokaal niveau worden sedimentatie- en erosieprocessen opgemeten met behulp van zogenaamde sederoplots, wat in feite niets anders zijn dan gefixeerde en gewaterpaste metalen staven die in het sediment zijn bevestigd en die fungeren als referentieniveau. Hoogteprofielen van de transecten worden ingemeten met RTK-GPS, niveaumeter of theodoliet en laten onder andere toe om de helling van het transect te bepalen. Op gebiedsniveau worden geregeld digitale terreinmodellen (DTM) gemaakt op basis van laseraltimetrie, orthofoto’s of theodolietmetingen. Door vergelijking van verschillende DTM’s kunnen zones worden gesitueerd waar erosie of sedimentatie plaatsvindt en kan de sedimentbalans worden berekend.

Op de staalnamepunten worden bodemstalen genomen waarvan zowel de textuur als het organisch stofgehalte wordt bepaald, alsook de fysico-chemische kwaliteit. Zowel de soortensamenstelling als de biomassa van de bodemdieren (macrobenthos >1mm; Oligochaeta >250µm) wordt eveneens op de staalnameplaatsen bepaald. De staalnamefrequentie neemt af in de tijd, gaande van maandelijks naar seizoenaal of jaarlijks.

De ontwikkeling van de vegetatie wordt opgevolgd met behulp van permanente kwadraten (PQ’s) waarvan jaarlijks in het geschikte seizoen vegetatieopnames worden gemaakt met behulp van de decimale schaal van Londo. Op basis van orthofoto’s of veldmetingen wordt van het integraal gebied of van een deel ervan een vegetatiekaart gemaakt. Maandelijks worden de watervogels geteld, terwijl territoriumkarteringen een beeld geven van de broedvogelpopulatie.

In overleg met verschillende diensten van AMINAL brengt het INBO ook wetenschappelijk geargumenteerd advies uit voor nog uit te voeren Sigmawerken en ecologische herstelprojecten. De aan de Sigmawerken en havenontwikkeling gekoppelde MER’s worden wetenschappelijk opgevolgd en er wordt op toegezien dat de aangereikte adviezen voldoende behandeld worden.

Dit project loopt van 2001 tot 2010.

[Update 6 juli 2007]


Erika Van den Bergh, Bart Vandevoorde, Ingrid Verbessem, Ingrid Baten

 

 
KBR
Ontpoldering
Estuarien herstel
Ecologisch herstelplan
Ketenisse
Paddebeek
Paardeschor
Heusden
 





  © 2014 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek - Disclaimer Home Contact Sitemap English Home Contact Sitemap Nederlands Vlaanderen Logo INBO